Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB4096

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
02379/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4096
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2006:AV6352, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 172.3 Gemw. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de door verdachte veroorzaakte overlast, de burgemeester o.g.v. art. 172.3 Gemw een gebiedsontzegging aan verdachte heeft kunnen opleggen en dat dit bevel voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De HR stelt voorop dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 172.3 Gemw het ervoor moet worden gehouden dat, zo in een gemeente een verordening geldt waarin is geregeld dat de burgemeester i.g.v. overlast gevende verstoringen van de openbare orde aan de betrokkene een zogenoemde verblijfsontzegging kan opleggen, deze regeling dient te worden toegepast en art. 172.3 Gemw dan niet (ook) een grondslag biedt voor het opleggen van een gebiedsontzegging t.z.v. verstoringen van de openbare orde waarop de APV het oog heeft. De gemeente R’dam kende t.t.v. de bewezenverklaarde gedragingen een dergelijke regeling in art. 2.10.1 APV. Het Hof heeft geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het heeft geoordeeld dat het de burgemeester vrijstond om de regeling van de APV buiten toepassing te laten – en het bevel te baseren op art. 172.3 Gemw - louter op de grond dat naar diens oordeel de duur van de in de APV voorziene verblijfsontzegging niet volstond, heeft het miskend hetgeen hiervoor door de HR is vooropgesteld. Indien het daaraan niet heeft voorbijgezien, maar - waar het spreekt van "specifieke overlast" - heeft geoordeeld dat hier sprake was van overlast die niet door de APV werd bestreken, is dat oordeel gelet op de gedragingen van de betrokkene zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Die gedragingen vallen immers grotendeels onder die welke zijn opgenomen in art. 2.10.1 APV.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 184
Gemeentewet
Gemeentewet 172
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 142
NBSTRAF 2008/142
NJ 2008, 208
AB 2008, 163
JOL 2008, 182
RvdW 2008, 323
NJB 2008, 768
Gst. 2008, 103

Uitspraak

11 maart 2008

Strafkamer

nr. 02379/06

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 maart 2006, nummer 22/001387-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 23 februari 2005 - de verdachte ter zake van onder 1. en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast" veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf verlengd met een jaar.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze hebben mr. F.G.L. van Ardenne en mr. N. Fikkenschild, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de door de burgemeester bevolen verblijfsontzegging krachtens wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 184 Sr is gedaan.

3.2.1. Het Hof heeft overeenkomstig het tenlastegelegde bewezenverklaard dat:

"1. hij op 9 juli 2004 (te of omstreeks 16.15 uur) te Rotterdam of aan de Binnenrotte, zijnde een weg gelegen binnen het door de burgemeester van Rotterdam in het belang van de openbare orde aangewezen begrensd gebied, te weten het gebied van het wijkteam Binnenrotte, opzettelijk niet heeft voldaan aan een op 24 mei 2004 door de burgemeester van Rotterdam op grond van artikel 172, lid 3 van de Gemeentewet gegeven (aan hem, verdachte, op 29 mei 2004 betekend en/of uitgereikt schriftelijk) bevel ter handhaving van de openbare orde, om zich gedurende een periode van twaalf weken, aanvangende op 29 mei 2004 en eindigende op 21 augustus 2004, niet te begeven naar en te bevinden in bovengenoemd gebied van het wijkteam Binnenrotte, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk geen gevolg gegeven aan dit bevel.

2. hij op 19 augustus 2004 (te of omstreeks 15.10 uur) te Rotterdam op de Blaak, zijnde een weg gelegen binnen het door de burgemeester van Rotterdam in het belang van de openbare orde aangewezen begrensd gebied, te weten het gebied van het wijkteam Binnenrotte, opzettelijk niet heeft voldaan aan een op 24 mei 2004 door de burgemeester van Rotterdam op grond van artikel 172, lid 3 van de Gemeentewet gegeven (aan hem, verdachte, op 29 mei 2004 betekend en/of uitgereikt schriftelijk) bevel ter handhaving van de openbare orde, om zich gedurende een periode van twaalf weken, aanvangende op 29 mei 2004 en eindigende op 21 augustus 2004, niet te begeven naar en/of te bevinden in bovengenoemd gebied van het wijkteam Binnenrotte, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk geen gevolg gegeven aan dit bevel."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een brief 24 mei 2004 van W. van Sluis, loco-burgemeester van de gemeente Rotterdam, met kenmerk 04BSD10123, aan de verdachte, voor zover inhoudende:

"Door middel van dit besluit leg ik u een gebiedsontzegging op voor de duur van twaalf weken.

Gebleken is dat uw gedrag zich niet laat veranderen door middel van politieoptreden op basis van strafrechtelijke bepalingen dan wel de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam. Op 29 maart 2004 bereikte mij het verzoek van de districtschef en de PGA-coördinator van het district Centrum om u een gebiedsontzegging op te leggen voor het wijkteam-gebied Binnenrotte. Uit het dossier dat het politiedistrict mij heeft doen toekomen, is mij gebleken dat u de afgelopen jaren in het wijkteam-gebied Binnenrotte blijk heeft gegeven van voortdurend overlastgevend gedrag. Er zijn dertig (30) overlast gerelateerde registraties in 2003 en negen (9) overlast gerelateerde registraties in 2004 voor u vermeld. De diverse registraties hebben veelal betrekking op bedelen, het doen van de natuurlijke behoefte, hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en openlijk gebruik van verdovende middelen.

Ik stel vast dat, hoewel de hulpverlening u een hulpaanbod heeft gedaan en de politie in het betreffende district u herhaaldelijk heeft geverbaliseerd en/of anderszins maatregelen zijn opgelegd, een en ander niet tot verbetering van de situatie heeft geleid. Met uw gedragingen veroorzaakt u nog steeds ernstige overlast. Ik constateer dan ook dat minder verstrekkende maatregelen bij u niet tot aanpassing van uw gedrag hebben geleid. In het belang van de handhaving van de openbare orde en ter voorkoming van verdere verstoring van het woon- en leefklimaat in het betreffende gebied acht ik het daarom thans noodzakelijk een gebiedsontzegging aan u op te leggen.

Gezien het feit dat u hulp krijgt aangeboden door het Leger des Heils aan de Bredestraat geef ik u dringend in overweging om op het aanbod van de hulpverlening in te gaan. Daarom heb ik in het bijgaande besluit een uitzondering gemaakt voor de route Goudsesingel-Kipstraat-Bredestraat."

b. een besluit van 24 mei 2004 van W. van Sluis, voornoemd, voor zover inhoudende:

"Overwegende dat de aanhoudende overlast in het gebied Binnenrotte een ernstige bedreiging vormt van de openbare orde en een aantasting van het woon- en leefklimaat;

dat er maatregelen moeten worden genomen om de overlast die mede door u wordt veroorzaakt te beëindigen;

dat ik mij om die redenen genoodzaakt zie die bevelen te geven die noodzakelijk zijn om de openbare orde te handhaven;

dat ik daarom genoodzaakt ben u, gelet op het bepaalde in artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet, een gebiedsontzegging op te leggen voor de duur van 12 weken;

Besluit

[Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], zonder vaste woon- en verblijfplaats, een gebiedsontzegging op te leggen met ingang van de datum van uitreiking van dit besluit voor de duur van 12 weken.

Hetgeen concreet betekent dat [verdachte] zich gedurende de komende twaalf weken niet mag begeven dan wel bevinden in het gebied (van het wijkteam) Binnenrotte."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 29-05-2004 heb ik, [verbalisant 1], van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond in opdracht van de burgemeester van Rotterdam aan [verdachte] deze brief (kenmerk 04BSD10123) uitgereikt.

Betrokkene accepteerde het besluit en tekent voor ontvangst."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Ter onderbouwing van de feiten genoemd in de brief van de burgemeester (24 mei 2004), met kenmerk 04BSD10123 betreffende het opleggen van een gebiedsontzegging aan [verdachte] heb ik op dinsdag 31 mei 2005 een onderzoek ingesteld.

De volledige personalia van [verdachte] luiden:

[Verdachte], geboren [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats].

Het is mij ambtshalve bekend dat [verdachte] zich regelmatig ophield in het werkgebied van het politiewijkteam Binnenrotte en in dit gebied structureel overlast veroorzaakte in de jaren 2003 en 2004. Deze overlast bestond met name uit bedelen, het doen van de natuurlijke behoefte in portieken van bewoners, het slapen in portieken en abri's en dergelijke. Verder is [verdachte] een persoon die er zeer onverzorgd uitzag en regelmatig met gescheurde kleding rondliep, waardoor veelal zijn geslachtsdelen zichtbaar waren.

Verder bleek mij dat de dertig (30) overlast gerelateerde registraties in 2003 en negen (9) in 2004, zoals genoemd in bovenaangehaalde brief daadwerkelijk door [verdachte] zijn gepleegd in de respectievelijke jaren. Deze overlastgevende registraties hadden veelal betrekking op bedelen, het doen van de natuurlijke behoefte, hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en openlijk gebruik van verdovende middelen."

e. een proces-verbaal van politie van 9 juli 2004, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Wij zagen - tijdstip 16.15 - dat zich op de openbare weg, de Binnenrotte te Rotterdam, een weg gelegen in het wijkteam gebied Binnenrotte een persoon, de hierna te noemen verdachte - [verdachte], bevond waarvan het ons ambtshalve bekend was dat aan hem door de burgemeester van Rotterdam bij besluit nummer 04BSD10123, d.d. 24 mei 2004 voor een periode van 12 weken, ingaande op de dag van uitreiking van dit besluit, een gebiedsontzegging was opgelegd. In dit besluit heeft de burgemeester van Rotterdam, ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet, bevolen dat deze persoon zich gedurende die periode niet mag begeven dan wel bevinden in het gebied Binnenrotte, met uitzondering van de route naar het Leger des Heils (Goudsesingel/Kipstraat/Bredestraat).

De weg waar de persoon zich bevond is gelegen in genoemd gebied. Genoemd besluit is geldig tot 21 augustus 2004.

Wij zagen dat deze verdachte zich

a. in strijd met het aan hem door de burgemeester schriftelijk gegeven bevel en

b. binnen een periode van 12 weken nadat aan hem dit bevel was uitgereikt,

bevond in het hierboven genoemd gebied.

De verdachte gaf op te zijn:

[Verdachte], geboren [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats].

A. als verklaring van de verdachte:

Ik weet dat ik hier niet mag komen."

f. een proces-verbaal van politie van 19 augustus 2004, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren,

voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Ik zag - tijdstip 15.10 - dat zich op de openbare weg, de Blaak te Rotterdam, een weg gelegen in de/het wijkteam gebied Binnenrotte een persoon, de hierna te noemen verdachte - [verdachte], bevond waarvan het mij ambtshalve bekend was dat aan hem door de burgemeester van Rotterdam bij besluit nummer 04BSD10123, d.d. 24 mei 2004 voor een periode van 12 weken, ingaande op de dag van uitreiking van dit besluit, een gebiedsontzegging was opgelegd.

In dit besluit heeft de burgemeester van Rotterdam, ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet, bevolen dat deze persoon zich gedurende die periode niet mag begeven dan wel bevinden in het/de gebied Binnenrotte, met uitzondering van de route naar het Leger des Heils (Goudsesingel/Kipstraat/ Bredestraat). De weg waar de persoon zich bevond is gelegen in genoemd gebied.

Genoemd besluit is geldig tot 21 augustus 2004

Ik zag dat deze verdachte zich

a. in strijd met het aan hem door de burgemeester schriftelijk gegeven bevel en

b. binnen een periode van 12 weken nadat aan hem dit bevel was uitgereikt,

bevond in het hierboven genoemd gebied.

De verdachte gaf op te zijn:

[Verdachte], geboren [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats]."

3.2.3. Het hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

"Aan de verdachte wordt verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan een door de burgemeester van Rotterdam op grond van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet gegeven bevel ter handhaving van de openbare orde. Daarmee is aan de orde de vraag of dat bevel inderdaad krachtens genoemde wetsbepaling is gegeven en daarmee: of het "krachtens wettelijk voorschrift" in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is gedaan. Dienaangaande overweegt het hof het navolgende.

Uit het dossier - met name uit het door de advocaat-generaal ter zitting van 7 maart 2006 overgelegde proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2005 - blijkt dat de verdachte structureel overlast veroorzaakte in het centrum van Rotterdam in het gebied Binnenrotte. Met het oog op het tegengaan van de overlast van de verdachte heeft de burgemeester een - aan de verdachte betekend - bevel uitgevaardigd dat de verdachte zich gedurende twaalf weken niet mocht ophouden in het desbetreffende gebied. In de tenlasteleggingen wordt de verdachte verweten dat hij op 9 juli 2004 en op 19 augustus 2004 niet heeft voldaan aan dat door de burgemeester gegeven bevel.

Het hof is van oordeel dat de overlast van de verdachte in het gebied Binnenrotte in de omvang en de mate waarin die zich in de in het bevel bedoelde periode in het betrokken gebied voordeed, ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde in de zin van art. 172, derde lid, van de Gemeentewet kan opleveren. Onder dergelijke omstandigheden kan een ontzegging zich in het betrokken gebied op te houden, op zichzelf redelijkerwijs noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde teneinde een einde te maken aan verdachtes gedragingen en het negatieve effect daarvan op het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven in het betrokken gebied.

Hoewel de burgemeester beoordelingsvrijheid toekomt bij de gebruikmaking van zijn bevelsbevoegdheid van art. 172, derde lid, van de Gemeentewet, dient een krachtens die bepaling gegeven bevel proportioneel te zijn aan de te bestrijden gedraging en moet - redelijkerwijs gesproken - geen minder zwaar middel voorhanden zijn dan dat bevel (subsidiariteit). Met inachtneming van een en ander dient de burgemeester de inhoud van het bevel naar plaats, tijd en omstandigheden te bepalen.

De door verdachte veroorzaakte overlast was aanmerkelijk en structureel. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 mei 2005 blijkt dat deze overlast met name bestond uit het dagelijks bedelen, het slapen en het doen van natuurlijke behoeften in portieken van buurtbewoners, en het zodanig gekleed gaan dat zijn geslachtsdelen ontbloot waren. In 2003 waren er dertig op verdachte betrekking hebbende registraties van dergelijke incidenten en in 2004 negen. Verdachte lijdt aan een psychische stoornis. In het bevel is vermeld dat verdachte in verband daarmee een beroep kan doen op het hulpaanbod van het Leger des Heils. Voorts is verdachte verschillende malen gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn gedrag en hebben minder verstrekkende maatregelen als een gebiedsontzegging geen gunstig effect gehad. Dat de burgemeester de in art. 2.10.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Rotterdam en de gebruiksinstructie 'Gebiedsontzeggingen art. 2.10.1 van de APV Rotterdam' opgenomen mogelijkheid van een gebiedsontzegging voor de duur van maximaal veertien dagen klaarblijkelijk onvoldoende achtte om de door verdachte veroorzaakte, specifieke overlast als hiervoor omschreven terug te dringen, is naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Een dergelijke gebiedsontzegging betreft een duidelijk gemarkeerd, beperkt gebied en het is verdachte daarbij bovendien uitdrukkelijk toegestaan een route in dit gebied te lopen om het daarin gelegen pand van het Leger des Heils te bereiken waar hij de hem aangeboden hulp kan ontvangen. De gebiedsontzegging is voorts beperkt tot de duur van twaalf weken, hetgeen een te overziene tijdspanne betreft.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof anders dan de rechtbank van oordeel dat het bevel van de burgemeester voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat dit bevel in dit geval ook aan verdachte kon worden opgelegd."

3.3.1. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende artikelen van belang:

Art. 184, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

Art. 172 Gemeentewet (hierna: Gemw) luidt:

"1. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde.

2. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.

3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde."

Art. 2.10.1 Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2004, Gemeenteblad 30 januari 2004, nr. 12 (hierna: APV) luidt:

"1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2.1.1, 2.4.5, 2.4.8, 2.4.12, 3.1.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.4 of 3.3.5 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).

2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.

3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.

4. De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod."

3.3.2. De toelichting op art. 2.10.1 APV houdt het volgende in:

"Eerste lid

Op grond van het eerste lid van artikel 2.10.1 kan de burgemeester een verblijfsontzegging voor de duur van 24 uur opleggen aan een ieder die zich in strijd met de volgende artikelen gedraagt:

- Artikel 2.1.1, samenscholing en ongeregeldheden;

- Artikel 2.4.5, openlijk drankgebruik;

- Artikel 2.4.8, messen en andere voorwerpen als steekwapen;

- Artikel 2.4.2, bedelverbod;

- Artikel 3.1.1, straatprostitutie;

- Artikel 3.3.2, verkoop van drugs;

- Artikel 3.3.3, verzameling van personen in verband met drugs;

- Artikel 3.3.4, openlijk druggebruik;

- Artikel 3.3.5, weggooien van spuiten e.d.

Tweede lid

Indien binnen zes maanden na het opleggen van een verblijfsontzegging van 24 uur opnieuw wordt geconstateerd dat een gedraging plaatsvindt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, kan een verblijfsontzegging van ten hoogste veertien dagen opgelegd worden.

Derde lid

Iedere volgende keer dat binnen zes maanden na het opleggen van een verblijfsontzegging van veertien dagen wederom een gedraging plaatsvindt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, kan op grond van het derde lid van artikel 2.10.1 een nieuwe verblijfsontzegging van ten hoogste veertien dagen worden opgelegd."(Gemeenteblad 30 januari 2004, nr. 12, p. 147)

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de door de verdachte veroorzaakte overlast, de burgemeester op grond van art. 172, derde lid, Gemw een gebiedsontzegging aan de verdachte heeft kunnen opleggen en dat dit bevel voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

3.5. De Hoge Raad stelt voorop dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 172, derde lid, Gemw, zoals deze is weergegeven in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.13, het ervoor moet worden gehouden dat, zo in een gemeente een verordening geldt waarin is geregeld dat de burgemeester in het geval van overlast gevende verstoringen van de openbare orde aan de betrokkene een zogenoemde verblijfsontzegging kan opleggen, deze regeling dient te worden toegepast en art. 172, derde lid, Gemw dan niet (ook) een grondslag biedt voor het opleggen van een gebiedsontzegging ter zake van verstoringen van de openbare orde waarop de APV het oog heeft.

3.6. De gemeente Rotterdam kende ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen een dergelijke regeling in art. 2.10.1 APV, hiervoor onder 3.3.1 weergegeven. Art. 2.10.1 APV schreef de burgemeester voor in welke gevallen en onder welke voorwaarden hij een dergelijke verblijfsontzegging kon opleggen. Dat voorschrift hield in dat een verblijfsontzegging kon worden opgelegd naar aanleiding van limitatief opgesomde vormen van overlast gevend gedrag voor een maximale termijn van 14 dagen. Die APV voorzag tevens in de mogelijkheid om bij elke nieuwe overtreding daarvan opnieuw een dergelijk bevel op te leggen.

3.7. Het Hof heeft geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang.

Indien het heeft geoordeeld dat het de burgemeester vrijstond om de regeling van de APV buiten toepassing te laten - en het bevel te baseren op art. 172, derde lid, Gemw - louter op de grond dat naar diens oordeel de duur van de in de APV voorziene verblijfsontzegging niet volstond, heeft het miskend hetgeen hiervoor onder 3.5 is vooropgesteld.

Indien het daaraan niet heeft voorbijgezien, maar - waar het spreekt van "specifieke overlast" - heeft geoordeeld dat hier sprake was van overlast die niet door de APV werd bestreken, is dat oordeel gelet op de gedragingen van de betrokkene, zoals vervat in de hiervoor onder 3.2.2 genoemde brief, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Die gedragingen vallen immers grotendeels onder die welke zijn opgenomen in art. 2.10.1 APV.

3.8. Het oordeel van het Hof dat het onderhavige bevel is gegeven krachtens wettelijk voorschrift, te weten art. 172, derde lid, Gemw, is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

3.9. De Hoge Raad vindt in het vorenoverwogene aanleiding de zaak zelf af te doen en de verdachte om doelmatigheidsredenen van het hem tenlastegelegde vrij te spreken.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 maart 2008.