Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB3210

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
C06/161HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB3210
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AV4203, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie (open brief). Botsing van grondrechten; vrijheid van meningsuiting tegenover recht op eer en goede naam, privacy en recht om alleen (met rust) te worden gelaten (oorlogsverleden); maatstaven; toetsing; noodzakelijkheidstoets art. 8 lid 2 en 10 lid 2 EVRM; is open brief aan te merken als perspublicatie of column? klemmende redenen van publiek belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2008, 104
JA 2008/83 met annotatie van L.R. van Harinxma thoe Slooten
Computerrecht 2008, 67 met annotatie van L.A.R. Siemerink
NJ 2008, 274 met annotatie van E.J. Dommering
NJB 2008, 338

Uitspraak

18 januari 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/161HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk, aanvankelijk ook mr. H.A. Groen,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 11 mei 2001 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, (i) te verklaren voor recht dat de verzending door [verweerster] van de "Open brief aan de Hoge Raad" van 2 november 1998 aan landelijke media en het plaatsen en geplaatst houden daarvan op het internet onrechtmatig waren respectievelijk zijn jegens [eiser], (ii) [verweerster] te gebieden de Open Brief te verwijderen en verwijderd te houden van het internet op straffe van een dwangsom, en (iii) [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] door de onder (i) bedoelde onrechtmatige daden heeft geleden en lijdt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden.

Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij vonnis van 16 juli 2003 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 9 maart 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiser] mede door mr. S.M. Kingma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 21 september 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 24 mei 1943 heeft [eiser] de sinds 19 mei 1943 bij hem in Amsterdam ondergebrachte joodse onderduiker [betrokkene 1] om het leven gebracht. Het lijk is op 29 mei 1943 door [eiser] in een op eigen naam gehuurde boot in een zijsloot van de Boerenwetering achtergelaten. [Eiser] is gearresteerd en op 15 juni 1944 veroordeeld wegens doodslag (en het onttrekken van het lijk aan nasporing) tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

(ii) Op 17 januari 1946 is aan [eiser] gratie verleend in die zin dat hem het nog onvervulde gedeelte van de straf is kwijtgescholden.

(iii) In een brief van de toenmalige minister van justitie Kolfschoten van 6 februari 1946 aan 'de Groote Advies Commissie der Illegaliteit' is vermeld:

"In verband met de in verschillende dagbladen verschenen publicatie over de aan [eiser] verleende gratie, vestig ik er Uw aandacht op, dat de in deze mededeling gewekte voorstelling als zoude het een rehabilitatie betreffen niet juist is. Door een bij wege van gratie verleende kwijtschelding van straf wordt het vonnis niet aangetast zooals ook blijkt uit de inhoud van het gratiebesluit, waar in het onderhavige geval evenals in alle gratiebesluiten, na de mededeeling van het verleende gunstbetoon de zinsnede is opgenomen 'blijvende het vonnis overigens in zijn geheel'. Het instituut van de gratie kan niet aangewend worden als een laatste rechtsinstantie."

(iv) In een artikel in NRC-Handelsblad van 1 december 1989 heeft [eiser] zich over het ombrengen van [betrokkene 1] uitgelaten. In dit artikel is hij onder meer geciteerd als volgt:

"Er zijn in dit land twee gevallen geweest die als gevolg van verzetsactiviteiten in aanraking zijn gekomen met de toenmalige Nederlandse justitie. Een ervan ben ik (...). Ik heb al dingen gefilmd en gereconstrueerd, materiaal verzameld uit de oorlog, zelfs over de liquidatie van die onderduiker, die voor mij gewoon een levensbedreiging was - en niet voor mij alleen, maar ook voor anderen - en na gemeen overleg moest worden geliquideerd."

(v) Naar aanleiding van dit artikel zijn in januari en februari 1990 artikelen verschenen in Het Parool van de hand van Bart Middelburg. Het gerechtshof te Amsterdam heeft voor recht verklaard dat deze artikelen, waarin de beschuldiging overheerst dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt "aan een (ordinaire) roofmoord", voor [eiser] beledigend zijn en Het Parool en Middelburg veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 6 januari 1995, nr. 15549, NJ 1995, 422 (hierna: het Paroolarrest) door de Hoge Raad verworpen.

(vi) Bij uitspraak van 6 november 1997 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het doden van [betrokkene 1] door [eiser] niet tot verzet van de dader in de zin van art. 1 eerste lid van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 behoort, zodat het door [eiser] mede op die grond aangevraagde pensioen terecht is geweigerd. Daarbij heeft de Centrale Raad overwogen dat voor het bestaan van een noodsituatie in objectieve zin, verband houdende met verzetsactiviteiten, geen gegevens aanwezig zijn die niet ten gronde berusten op opgaven van [eiser] zelf. Hieraan heeft de Centrale Raad toegevoegd dat het feit dat de Grote Adviescommissie der Illegaliteit in januari 1946 de rehabilitatie van [eiser] heeft uitgesproken niet tot een andere slotsom leidt, nu niet is kunnen blijken dat daaraan daadwerkelijke verificatie van feiten ten grondslag ligt, en dat dit ook geldt voor de gratiëring van [eiser] in 1946.

(vii) Op 1 december 1997 is in het NPS-televisieprogramma "Het Uur van de Wolf" een portret van [eiser] uitgezonden. Het programma is op 23 mei 1998 herhaald. In dit programma wordt [eiser] geïnterviewd over de zaak-[van betrokkene 1]. [Eiser] zegt daarin onder meer het volgende:

"De man was een paralysis agitans-patiënt, de man had zijn hele leven nog nooit gewerkt, de man beschikte over een vermogen dat hem blijkbaar door zijn familie ter beschikking werd gesteld in zijn verblijf in Nederland, was Duitser van origine, sprak zeer slecht Nederlands, dus er was direct te horen dat hij Duits was, ja, zag er, en dan moet je er nog mee oppassen om dat nu te zeggen, zag er joods uit, dus dat waren nogal wat risico's die daar een rol speelden. Nou dan is er dus niet meer vooruit of achteruit te gaan. (...) Totdat er een advies kwam: je slaat hem bewusteloos en je moet hem verdrinken, een geluidloze operatie, en ik zorg dat hij wordt afgevoerd. En dan komt zo'n auto dus niet. Want dan is er een chauffeur ziek die betrouwbaar is. (...) Ja, ik ben de uitvoerder van die daad en toen de oorlog dus voorbij was, had ik verwacht, nou nu treedt er een artikel in werking en dat artikel was er dus niet, daar voorzag de Nederlandse grondwet niet in, dat daden, die voortvloeiden uit het verzet, maar door de Nederlandse Justitie berecht, dat die ogenblikkelijk voor invrijheidstelling in aanmerking kwamen. (...) Dus de procedurele vraag was alleen nog maar: ik kan gratie vragen. En ben dan de straat op, met welnemen van Majesteit. En dat is dus gebeurd. En in dat verslag van dat gratieverzoek, wat de minister dan heeft uitgeschreven, daar wordt dan ook gereleveerd dat ik aan het Nederlandse verzet heb deelgenomen en toen heeft de Grote Adviescommissie der Illegaliteit een verklaring doen publiceren in alle toen verschijnende dagbladen: [eiser] is in vrijheid gesteld en daarmee is zijn casus teruggebracht tot de proporties waar ie hoort: dit was een casus van een liquidatie die diende te gebeuren in het belang van het verzet. Punt uit af."

(viii) De genoemde verklaring van de Grote Adviescommissie der Illegaliteit verscheen tijdens het interview langdurig en goed leesbaar als persbericht in beeld. Deze verklaring houdt onder meer in dat [eiser] "deze daad moest verrichten in het belang van het verzet tegen den onderdrukker: het slachtoffer leverde door zijn gedrag een groot gevaar op voor den verzetsstrijd. Naar aanleiding van deze feiten is [eiser] thans gerehabiliteerd en in vrijheid gesteld."

(ix) Op 6 oktober 1998 heeft [verweerster] een column over [eiser] aangeboden aan het Algemeen Dagblad, met afschrift aan de raadsman van [eiser], met als titel "Verzetsheld aan mijn hoela". Nadat deze raadsman daartegen bij brieven van 7 en 8 oktober 1998 had geprotesteerd, heeft het Algemeen Dagblad afgezien van publicatie van de column.

(x) Op 2 november 1998 heeft [verweerster] naar aanleiding daarvan een "OPEN BRIEF AAN DE HOGE RAAD" (verder: de open brief) gestuurd, die zij tevens heeft verzonden aan een aantal landelijke dagbladen en aan de raadsman van [eiser]. Ook heeft zij deze (enigszins aangepaste en aangevulde) open brief op haar website geplaatst. De tekst daarvan luidt als volgt:

"Geachte Hoge Raad,

Ik schrijf U over een onderwerp dat ik, als ik de juristen geloven mag, nooit meer kan aanroeren. Nou ja, ik kan het wel doen, maar, aldus die juristen, dan krijg ik onmiddellijk een proces met een dikke vette schadeclaim aan mijn broek, dat ik gegarandeerd ga verliezen. Waarom zal ik dat proces onvermijdelijk verliezen? Omdat ik het verleden van de cineast [eiser] niet meer mag oprakelen. Ik dacht altijd dat je in een vrij en beschaafd land alles mocht schrijven, zolang je je maar niet bezondigt aan racisme, opruiing, laster of smaad, maar dat schijnt niet waar te zijn. En dat komt, aldus die deskundige juristen, doordat Uw Raad op 17 februari 1995 een arrest heeft gewezen, waarin het, kort samengevat, onrechtmatig wordt verklaard om ooit nog een letter te publiceren over het feit dat [eiser] in de oorlog een onderduiker heeft vermoord. Waarom mag je daar niet over schrijven? Omdat, aldus de teneur van Uw arrest, [eiser] nu genoeg geleden heeft onder het oprakelen van deze affaire, en omdat het niet aangaat zijn privacy, zoveel jaren na dato, nog langer te schenden. Hij heeft toch indertijd gratie gekregen van minister Kolfschoten van justitie? Dus zand erover! Ik hoop dat ik zo, in lekentermen, Uw arrest adequaat heb samengevat. Zo is het mij althans uitgelegd door drie op dit gebied doorknede juristen. [Eiser] zelf die mag, gek genoeg, zijn verleden oprakelen zoveel hij maar wil. Zelfs als hij daarover flagrante leugens debiteert. Hij is met dat oprakelen notabene, in een NRC-interview van december 1989, zelf begonnen! Hij mag tot op de huidige dag graag in interviews vertellen dat hij bezig is een film te maken over zijn oorlogsavontuur, dat volgens hem dezelfde thematiek heeft als W.F. Hermans verzetsroman De donkere kamer van Damocles. Ook zijn invloedrijke supporters uit CPN-kring (zoals wijlen Jan Vrijman, en onlangs weer Elsbeth Etty) hebben niets van U te vrezen als zij de beroemde Moord in de Beethovenstraat in hun columns ter sprake brengen. Zelfs niet als zij daarover flagrante leugens debiteren.

Omdat dit een Open Brief is, en niet iedereen weet waar ik het over heb, even een korte samenvatting: [eiser] heeft in 1943 vijf dagen een invalide onderduiker in huis gehad, die hij vervolgens met een zwaar voorwerp de schedel heeft ingeslagen, en tenslotte in de badkuip heeft verzopen. Hij werd prompt gepakt, omdat hij zo onnozel was geweest 's mans lijk in het water te dumpen met behulp van een bootje dat hij gehuurd had onder zijn eigen naam. (Dit alleen al is voor mij persoonlijk afdoende om zeker te weten dat hij nooit iets met het georganiseerd verzet te maken kan hebben gehad; het eerste wat je kreeg als je in het verzet ging, al was het maar als koerier, dat was een schuilnaam. Maar ik dwaal af.): De moord werd berecht, en [eiser] werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Zelf noemt hij deze moord altijd "een noodzakelijke liquidatie in het belang van het Verzet". De bewuste onderduiker, genaamd [betrokkene 1], zou mataglap zijn geworden, en met zijn onberekenbare gedrag het leven van [eiser] en zijn collega-verzetshelden in gevaar hebben gebracht.

[Eiser] zat namelijk in het Verzet. Beweert hij. Zijn zuster [betrokkene 2], die tijdens de moord op de uitkijk stond ("Mijn vader studeert een rol in" zei ze tegen de buren die op het kabaal afkwamen), die had weliswaar - dat was een publiek geheim binnen het Amsterdamse politiekorps - een verhouding met de hoogste SD-chef in den lande [betrokkene 6], maar dat mocht kennelijk de pret niet drukken. "Roddels bij de Amsterdamse politie, daar hebben wij geen boodschap aan" zult U zeggen, en daar hebt U gelijk in. Maar ik wil ze toch ter sprake brengen, en wel om de nagedachtenis te eren van de Amsterdamse rechercheur die met het onderzoek naar de moord was belast. Hij heette [betrokkene 7]. Zodra hij probeerde [betrokkene 2] op verdenking van medeplichtigheid aan de tand te voelen, liet [betrokkene 6] hem door de SD op de Euterpestraat ontbieden, beschuldigen van het opmaken van een vals verbaaltje, en deporteren naar een concentratiekamp.

[Betrokkene 7] is nooit teruggekomen. [Betrokkene 2] daarentegen mocht kort na de bevrijding alweer verzetspoëzie voordragen bij de Nationale Herdenking op de Dam. In 1978 werd zij geridderd tot officier in de Orde van Oranje Nassau.

Let wel: ik heb deze wijsheid uit de beste bron. De romance tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 6], en de fatale gevolgen die dat voor de arme [betrokkene 7] heeft gehad, het is allemaal uitvoerig ter sprake geweest in het proces dat [eiser] indertijd tegen het Parool heeft aangespannen, en uiteindelijk - dankzij Uw Raad - nog heeft gewonnen ook. Die zege heeft mij altijd in hoge mate verbaasd. U weet net zo goed als ik dat niemand ooit heeft kunnen achterhalen wat [eiser] nou zoal deed in het Verzet, behalve dan een onderduiker vermoorden. Hij beweert dat hij deel uitmaakte van de z.g. Vrije Groepen, maar daar zat toevallig mijn eigen oom in, en die leeft gelukkig nog, en die kon met de hand op het hart (en desgewenst onder ede) verklaren dat [eiser] daar nooit iets mee uitstaande heeft gehad. [eiser] beweert voorts dat hij na de oorlog "geheel is gerehabiliteerd door de Grote Adviescommissie der Illegaliteit" en U weet net zo goed als ik dat dat eveneens een leugen is: [eiser] heeft na de oorlog gratie gekregen, op voorspraak van zijn beroemde ouders, die een vooraanstaand verzetsstrijder, [betrokkene 3], hadden overgehaald een goed woordje voor hun zoon te doen bij minister Kolfschoten van justitie. Diezelfde [betrokkene 3] (onthoud die naam!) heeft daarna een persberichtje laten opstellen (op briefpapier van de Grote Adviescommissie der Illegaliteit, maar daar wisten de andere leden van de Adviescommissie der Illegaliteit niets van!), waarin het heette dat [eiser] thans "volledig" was 'gerehabiliteerd". Dat persberichtje is toen klakkeloos door de NRC overgenomen. Ik heb het knipsel nog. [eiser] ook. Hij schermt er onophoudelijk mee. Als journalisten zijn verzetsrelaas op goede gronden in twijfel trekken loopt hij namelijk meteen naar de rechter, maar als zij aperte leugens over hem debiteren wrijft hij tevreden in zijn handen. En Uw Raad is hem daarbij behulpzaam, als ik zo vrij mag zijn. [betrokkene 3] heeft later zelf toegegeven dat hij van de moordzaak niets afwist, en zich alleen maar voor die kar had laten spannen om de [eiser]s (voor wie hij kennelijk een heilig ontzag had) een plezier te doen. Dit staat allemaal vast, dat weet Uw Raad net zo goed als ik.

Over de werkelijke motieven van [eiser] om die onderduiker om zeep te brengen ga ik niet speculeren. Ik kijk wel uit. Wel staat vast dat die onderduiker een klein fortuin aan geld bezat, dat hij dag en nacht bij zich droeg. Dat weet Uw Raad net zo goed als ik. Uw Raad weet eveneens net zo goed als ik dat [eiser] kort na de moord door getuigen is gesignaleerd met een grote hoeveelheid geld, dat eruit zag alsof het in het water had gelegen. Hij was, als ik me goed herinner, bezig de bankbiljetten te drogen te hangen. Maar over de werkelijke motieven van [eiser] ga ik niet speculeren. Ik kijk wel uit. Laten de lezers hun eigen conclusies maar trekken. De vrouw die die onderduiker onder haar hoede heeft gehad voordat hij door [eiser] werd "geliquideerd" heette [betrokkene 4]. Zij zat wel degelijk in het verzet, en kon dat ook heel goed aantonen. Jarenlang heeft zij geprobeerd uit te vissen wat er nou eigenlijk met "haar" onderduiker was gebeurd. Zij voelde zich verantwoordelijk voor die man, zoals U begrijpt, en zij vertrouwde de lezing van [eiser] niet. Zij wist namelijk uit eigen ervaring dat die onderduiker helemaal geen onberekenbare hystericus was geweest, maar in tegendeel een zeer gedweeë en bescheiden invalide. [Betrokkene 4] is bij haar volkomen gerechtvaardigde naspeuringen stelselmatig gedwarsboomd door [eiser] en zijn dikke vrienden, te weten [betrokkene 8] (toenmalig directeur van het RIOD), Jan Vrijman (Paroolcolumnist), en [betrokkene 9] (societyhuisarts en wethouder te Amsterdam). Van [betrokkene 8] kreeg [betrokkene 4] te horen dat ze beter naar de psychiater kon gaan met haar "obsessie" in plaats van het RIOD lastig te vallen met haar onverkwikkelijke vragen. Met z'n vieren hebben ze haar zo goed als zenuwziek gemaakt met hun scheldkanonnades, en tenslotte is zij, na door de stichting 40-45 (daar heb je waarachtig [betrokkene 3] weer; hij zat in het bestuur) aan zeer vernederende kruisverhoren te zijn onderworpen, afgescheept met een verzetspensioentje waarvan je de kat nog niet eens te eten kon geven.

[Eiser] daarentegen werd in 1993 door zijn vriend [betrokkene 3] (daar heb je hem weer!) voorgedragen voor een verzetspensioen. Kennelijk kom je daarvoor in aanmerking als je vijf dagen een onderduiker hebt geherbergd, zelfs als je hem vervolgens hebt vermoord zonder daarvoor ooit een plausibele verklaring te geven. Of [eiser] dat pensioen ook gekregen heeft onttrekt zich aan mijn waarneming, maar mij persoonlijk zou het niets verbazen als het hoger is uitgevallen dan dat van [betrokkene 4]. Daar is namelijk niet veel voor nodig. [Betrokkene 4] is intussen overleden, ongetwijfeld tot de onuitsprekelijke opluchting van [eiser] en z'n advocaat Herman Doeleman. Ze lag nog niet onder de grond of [eiser] dook weer op in de media, om op te scheppen over zijn Leven & Werken, en om wederom te onthullen dat hij hard werkt aan een film-epos over zijn verzetsdaad. Hij mag zijn verleden namelijk oprakelen zoveel hij maar wil. Zelfs als hij daarover flagrante leugens debiteert. Ook de kranten mogen zijn verleden ongestraft oprakelen, mits zij hun lezers maar wijsmaken dat [eiser] indertijd "een noodzakelijke liquidatie heeft voltrokken in het belang van het Verzet" en na de oorlog "volledig is gerehabiliteerd". Onlangs mocht ik dat weer uit de Volkskrant vernemen, naar aanleiding van het feit dat het wandelgidsje "Moordwandelingen door Amsterdam" uit de handel was genomen. Daarin was ook de Moord in de Beethovenstraat opgenomen, en Elsbeth Etty was er als de kippen bij om in de NRC schande te spreken van het leed dat [eiser] hier werd aangedaan, en [eiser] zijn advocaat was er als de kippen bij om de uitgever een dreigbrief op poten te sturen. Het is niet eens tot een proces gekomen. De Arbeiderspers is onmiddellijk door de knieën gegaan, heeft de hele oplage vernietigd, en aan [eiser] een schadevergoeding afgetikt van 20.000 gulden. Is Uw Raad zich er eigenlijk van bewust dat hij met zijn merkwaardige arrest [eiser] een vrijbrief heeft verstrekt om slapend rijk te worden? Is Uw Raad zich ervan bewust hoeveel geld [eiser] intussen heeft verdiend aan de moord op [betrokkene 1]? Terwijl hij er, met twee en een halfjaar gevangenisstraf gevolgd door gratie, toch al zo zeldzaam genadig is afgekomen? Hoeveel geld hij precies aan die moord heeft overgehouden kan ik niet becijferen, omdat ik niet kan nagaan of hij dat verzetspensioen ook werkelijk heeft gekregen (al durf ik daar best mijn kop onder te verwedden), noch hoeveel geld daarmee gemoeid is. Ook mag ik niet weten hoe groot de schadeloosstelling is geweest die [eiser], op last van Uw Raad, indertijd van het Parool heeft mogen incasseren. Maar het zal niet niks zijn geweest, nog afgezien van de astronomische proceskosten, die uiteraard ook allemaal aan het Parool in rekening zijn gebracht. Als ik de juristen geloven mag, kan ik er donder op zeggen dat ik door deze open brief terstond een proces op mijn dak zal krijgen, dat ik roemloos ga verliezen. Dat is dan ook de reden dat ik dit proza niet in mijn eigen krant kan publiceren. Vandaar dat ik mijzelf geheel op persoonlijke titel, via deze brief als proefkonijn aanbied. Ik ben razend benieuwd of Uw Raad uiteindelijk ook mij in het ongelijk gaat stellen, en allen die het na mij wagen [eiser] tegen te spreken als hij weer eens in woord of geschrift opschept over zijn daden in het Verzet.

Dat kan een netelige situatie worden voor Uw Raad, stel ik mij zo voor: hoe meer mensen het wagen gebruik te maken van hun in de Grondwet verankerde recht op vrije meningsuiting, hoe meer nullen [eiser] op zijn bankrekening kan bijschrijven. Om nog maar te zwijgen van het feit dat de media vervolgens hun lezers weer onbekommerd mogen wijsmaken dat [eiser] indertijd "volledig is gerehabiliteerd", zonder dat iemand dat mag ontzenuwen. Ik wacht met grote belangstelling Uw reactie af. Ik koester namelijk nog steeds de illusie dat wij hier in een rechtsstaat leven. En zelfs als justitie het laat afweten, dan bestaat er nog altijd zoiets als de vrije pers en de publieke opinie. Tenzij het hier een politiestaat is. Maar daar ga ik vooralsnog niet van uit.

Met vriendelijke groet,

[verweerster]

P.S. Hoe moet dat nou als die langverbeide film, waaraan [eiser] nu al jaren zegt te werken, op een goeie dag waarachtig nog in première gaat ook (luid bejubeld door Elsbeth Etty, mag ik aannemen, en zonder twijfel prompt door [betrokkene 3] voorgedragen voor een Gouden Kalf)? Mogen wij [eiser] dan weer niet tegenspreken als hij zichzelf daarin opvoert als een tweede Gerrit van der Veen? Sterker nog: mogen wij die film dan überhaupt wel bespreken in onze kranten? Of gaat dat ons 20 mille per recensie kosten, per omgaande te voldoen aan de regisseur? Ik vraag het maar."

(xi) Aan de open brief is aandacht besteed in het VPRO radioprogramma 'Aardse Zaken' van 10 november 1998, de Groene Amsterdammer van 11 november 1998 en HP/De Tijd van 20 november 1998.

(xii) Op 10 juni 2005 heeft de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) uitspraak gedaan op een bezwaarschrift van [eiser] in de herzieningsprocedure (strekkende tot herziening van de weigering van zijn aanvraag om toekenning van een pensioen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945). De PUR heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en overwoog daartoe onder meer:

"In het in het kader van het herzieningsverzoek opgestelde aanvullend rapport wordt een drietal nova gesteld. De nadere getuigenverklaring van [betrokkene 5] bevat geen andere feiten dan reeds bekend waren uit diens in het kader van de primaire procedure overgelegde verklaringen. Ter zake van de stukken van het Ministerie van Justitie alsook de correspondentiestukken van destijds tussen u en uw ouders stelt de raadskamer zich op het standpunt dat deze stukken in relatie tot het onderwerp van herziening zijnde aspect van het doden van de joodse onderduiker [betrokkene 1] evenmin (nieuwe) feiten bevatten. (...) In het aanvullend stichtingsrapport wordt een aantal stukken naar voren gebracht die naar het standpunt van de Centrale Bestuurscommissie als nieuwe feiten een verdere bevestiging vormen voor de verzetskwalificatie van het doden van [betrokkene 1]. Wij zijn evenwel van oordeel dat deze stukken geen feiten bevatten dan wel opleveren dewelke ons aanleiding zouden moeten geven het ombrengen van de joodse onderduiker [betrokkene 1] deze kwalificatie mee te geven."

3.2 Tegen deze achtergrond heeft [eiser] de onderhavige procedure tegen [verweerster] aanhangig gemaakt. Zeer kort samengevat stelt hij dat laatstgenoemde tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld door de open brief te publiceren, nu deze beweringen bevat die door de Hoge Raad in het Paroolarrest onrechtmatig en/of ongegrond zijn geoordeeld. [Verweerster] heeft tot haar verweer met name aangevoerd dat, als het [eiser] vrijstaat opnieuw in de publiciteit te treden met zijn gekleurde versie van wat zich destijds heeft afgespeeld, het haar vrijstaat die versie tegen te spreken, met name de bewering van [eiser] dat hij [betrokkene 1] heeft gedood in het belang van het verzet.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Verkort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, heeft het daartoe als volgt overwogen. Tegenover elkaar staan twee fundamentele rechten, enerzijds de uitingsvrijheid en anderzijds het recht op eer en goede naam alsmede het recht op eerbiediging van privacy en het recht om alleen - dat wil zeggen: met rust - te worden gelaten. Om te bepalen welk van beide rechten in deze zaak het zwaarste weegt, dienen alle van belang zijnde omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. In dat verband is mede van belang dat de open brief is te beschouwen als een perspublicatie. Als uitgangspunt bij de beoordeling daarvan geldt het recht van vrijheid van meningsuiting. Gelet op de toon en strekking van de open brief heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat deze het karakter heeft van een column, waaraan niet dezelfde hoge eisen mogen worden gesteld als aan onderzoeksjournalistiek, zoals die door Middelburg werd beoefend. Verder is in aanmerking te nemen dat op zijn minst vraagtekens kunnen worden gezet bij de veronderstelling dat het doden van [betrokkene 1] een daad van verzet was, noodzakelijk ter bescherming van het leven van [eiser] en/of anderen, terwijl [eiser] in het hiervoor in 3.1 onder (vii) aangehaalde programma onmiskenbaar de indruk wekt dat dit een daad van verzet was en dat dit objectief is komen vast te staan gelet op de rehabilitatie door de Grote Adviescommissie der Illegaliteit, waarvan echter geen sprake is geweest. Hoewel het hier gaat om een daad van inmiddels 55 jaar geleden, heeft [eiser] het onder de voormelde omstandigheden, en mede in aanmerking genomen het hiervoor in 3.1 onder (vi) aangehaalde oordeel van de Centrale Raad van Beroep van nog geen maand tevoren, over zichzelf afgeroepen dat een kritische toeschouwer als [verweerster] zich genoodzaakt zou voelen het verhaal tegen te spreken dat [eiser] daarover in "Het Uur van de Wolf" heeft gehouden. En dat mocht zij ook doen. Het algemeen belang dat hier in het spel is, betreft immers niet alleen de nagedachtenis van [betrokkene 1], maar ook de gevoelens van andere (nabestaanden van) slachtoffers van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Anders dan [eiser] stelt heeft [verweerster] niet gesuggereerd dat [eiser] uit geldelijk gewin [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht. Zij heeft slechts op cynische en provocerende wijze gesteld dat zij [eiser] niet gelooft en dat staat haar vrij, gelet op de manier waarop [eiser] zelf in de openbaarheid is getreden.

De bij de beoordeling van het geschil aan te leggen maatstaven

3.3 De onderdelen 2-2.2 en 7-7.2 van het middel stellen in onderling verband de maatstaven aan de orde die moeten worden aangelegd bij de beantwoording van de vraag of de open brief jegens [eiser] onrechtmatig is. Volgens de onderdelen 2-2.2 heeft het hof daarbij ten onrechte de vrijheid van meningsuiting als uitgangspunt genomen, en zodoende miskend dat geen grond bestaat een rangorde te aanvaarden tussen dat recht en het recht op eer en goede naam alsmede het recht op eerbiediging van privacy en het recht om met rust te worden gelaten. Voorts is de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in beginsel gegeven als in de open brief (deels) onware mededelingen over [eiser] voorkomen, in elk geval als [verweerster] dit wist of behoorde te weten. Volgens de onderdelen 7-7.2 heeft het hof ten onrechte alleen de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM uitgevoerd, en niet ook de noodzakelijkheidstoets van art. 8 lid 2 EVRM. Mocht het hof dit wel hebben gedaan, dan heeft het zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd.

3.4.1 Zoals het hof terecht heeft overwogen (rov. 3.2 en 3.3) gaat het in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van [verweerster] het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [eiser] diens hiervoor nader omschreven recht op eer en goede naam en op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Zoals de Hoge Raad in rov. 5.11 van het Paroolarrest heeft geoordeeld, komt bij deze afweging niet in beginsel voorrang toe aan het door art. 7 Grw. en 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Ditzelfde geldt voor de door art. 8 EVRM beschermde rechten. Dit brengt mee dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden wordt bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in art. 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende tweede lid.

3.4.2 Met het oog op de verdere beoordeling van het middel wordt voorts nog het volgende opgemerkt. In deze zaak gaat het om de beoordeling van een meningsuiting waarin vraagtekens worden geplaatst bij de versie die [eiser] in "Het Uur van de Wolf" heeft gegeven van de motieven die hem in 1943 ertoe hebben gebracht [betrokkene 1] om het leven te brengen (zie hiervoor in achtereenvolgens 3.1(vii) en 3.1(i)). Zoals het EHRM heeft geoordeeld kan, zelfs wanneer sprake is van een (louter) waardeoordeel, de proportionaliteit van de inbreuk op door art. 8 EVRM beschermde rechten ervan afhangen of een voldoende feitelijke basis bestond voor de desbetreffende uiting, omdat zelfs een waardeoordeel excessief en daarom onrechtmatig kan zijn indien elke feitelijke basis daarvoor ontbreekt (vgl. onder meer EHRM 19 december 2006, nr. 18235/02).

3.5 Het hof heeft in rov. 3.4 van zijn arrest overwogen dat "als uitgangspunt bij de beoordeling van een perspublicatie geldt het recht van vrijheid van meningsuiting". Blijkens rov. 3.2 en 3.3, alsmede blijkens het vervolg van zijn arrest, heeft het hof echter - zoals het behoorde te doen - aan de hand van alle terzake dienende omstandigheden van het geval afgewogen welk van de betrokken grondrechten in dit geval het zwaarste dient te wegen. Daarom heeft het hof met de door de onderdelen gewraakte zin blijkbaar niet iets anders bedoeld dan dat bij de beoordeling van een (pers)publicatie in alle gevallen de vrijheid van meningsuiting in aanmerking moet worden genomen. De rechtsklacht dat het hof is uitgegaan van een rangorde tussen de hier aan de orde zijnde rechten mist dus feitelijke grondslag. Uit de hierna volgende behandeling van de overige onderdelen volgt dat ook de motiveringsklacht faalt.

Is de open brief door het hof terecht en op goede gronden aangemerkt als een perspublicatie?

3.6 De onderdelen 1-1.3 keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.4 van zijn arrest dat de open brief dient te worden beschouwd als perspublicatie. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de omstandigheden dat [verweerster] heeft bedoeld met de open brief in de openbaarheid te treden, dat zij deze naar alle landelijke media heeft gestuurd en heeft gepubliceerd op haar website, alsmede dat zij in verschillende interviews over de inhoud daarvan heeft gesproken.

3.7 Aangezien tussen partijen vaststaat, en bovendien uit het slot van de open brief onmiskenbaar blijkt, dat deze door [verweerster] als privépersoon is geschreven en gepubliceerd, heeft het hof met zijn door de onderdelen bestreden oordeel kennelijk bedoeld dat de open brief voor de in deze zaak te verrichten toetsing op één lijn moet worden gesteld met een perspublicatie. Bij de beoordeling van de onderdelen is van belang dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de persvrijheid in het kader van de ingevolge art. 10 EVRM te verrichten afweging een bijzondere plaats inneemt met als reden dat de pers zijn "vital role" van "public watchdog" moet kunnen spelen. Inmiddels kan echter (mede) door de opkomst van het internet niet nauwkeurig meer worden omschreven wat in de hier bedoelde zin is te verstaan onder "de pers" omdat daardoor ook voor particulieren de mogelijkheid is ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten. Het hof heeft, tegen de geschetste achtergrond, blijkbaar bedoeld bij deze ontwikkeling aansluiting te zoeken. Het heeft dit gedaan door, bij de te dezen te verrichten afweging (zie hiervoor in 3.4.1), bijzondere betekenis toe te kennen aan het feit dat [verweerster] zich met de open brief - een publicatie op het internet op de persoonlijke website van [verweerster] - tot een breed publiek heeft gericht gericht teneinde vraagtekens te plaatsen bij het door [eiser] in "Het Uur van de Wolf" publiekelijk geschetste beeld van zijn motief om [betrokkene 1] te doden en van zijn invrijheidstelling in 1946. Daarmee heeft zij volgens het kennelijke oordeel van het hof mede in het algemeen belang gehandeld, zodat het gerechtvaardigd is de open brief op één lijn te stellen met een perspublicatie. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

Heeft het hof de open brief terecht gelijkgesteld met een column?

3.8 De onderdelen 3-3.8 zijn gericht tegen oordeel van het hof in rov. 3.5 dat de open brief door de rechtbank terecht is gelijkgesteld met een column. De onderdelen voeren tegen dit oordeel een reeks klachten aan.

Voor zover deze klachten erop neerkomen dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat de open brief niet voldoet aan de kenmerken van een column, kunnen zij niet tot cassatie leiden omdat zij feitelijke grondslag missen. Door de wending "gelijkgesteld met" te bezigen heeft het hof immers tot uitdrukking gebracht zich ervan bewust te zijn dat de open brief geen column in de journalistieke en gebruikelijke betekenis van het woord is.

Voor zover de klachten ertoe strekken dat de door het hof gemaakte vergelijking met een column onbegrijpelijk is, falen zij omdat naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof de open brief met een column gemeen heeft dat daarin niet (in de eerste plaats) een feitelijk relaas wordt gedaan, maar een mening of oordeel wordt gepresenteerd op een prikkelende wijze.

Voor zover de onderdelen klagen dat alleen een column, en dan nog slechts tot op zekere hoogte, (in de woorden van de onderdelen) een "vrijplaats" is, falen zij omdat deze stelling niet juist is. Indien voor het publiek waarop een uiting zich richt duidelijk is dat de uiting ertoe strekt een opinie naar voren brengen, moeten aan de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan andere eisen worden gesteld dan wanneer het gaat om een feitelijk relaas. In dit verband is dus niet het etiket ("column") van belang, maar de inhoud. Overigens mogen ook in een zuiver opiniërende publicatie de (door de aard van die publicatie beïnvloede) grenzen van de betamelijkheid niet worden overschreden; zie hiervoor in 3.4.2.

Voor zover de klachten inhouden dat een column of een daarmee gelijk te stellen geschrift, zoals de open brief, per definitie niet geschikt is om daarin een serieus en gevoelig onderwerp als het ombrengen van een joodse onderduiker tijdens de Tweede Wereldoorlog te bespreken, falen zij reeds omdat daarin wordt miskend dat de open brief naar de feitelijke vaststelling van het hof niet zozeer ertoe strekt het ombrengen van [betrokkene 1] aan de orde te stellen, als wel om vraagtekens te zetten bij de versie die de dader, [eiser], van zijn daad in de publiciteit heeft gebracht.

Had [verweerster] klemmende redenen van publiek belang bij het publiceren van de open brief?

3.9 De onderdelen 4-4.4 zijn gericht tegen het oordeel van het hof (rov. 3.7) dat, ondanks het zwaarwegende belang van [eiser] bij respectering van zijn recht op privacy, toch voldoende klemmende redenen aanwezig waren om tot publicatie van de open brief over te gaan, nu (i) [eiser] door zijn uitspraken in "Het uur van de Wolf" over zichzelf heeft afgeroepen dat een kritische toeschouwer als [verweerster] zich genoodzaakt voelde "deze misstand" aan de kaak te stellen en (ii) het algemeen belang dat hier in het spel is niet alleen de nagedachtenis van [betrokkene 1] betreft, maar ook de gevoelens van andere (nabestaanden van) slachtoffers van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.

3.10 De onderdelen falen. Gelet op de door het hof aangehaalde omstandigheden dat [eiser] in "Het Uur van de Wolf" andermaal de publiciteit heeft gezocht en dat hij in die televisieuitzending ten onrechte de indruk heeft gewekt na zijn veroordeling volledig te zijn gerehabiliteerd, getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk dat het hof klemmende redenen van publiek belang aanwezig heeft geacht die het publiceren en onder de aandacht van het publiek brengen van de open brief rechtvaardigden. Daarbij kan overigens in het midden blijven of ter rechtvaardiging van de open brief de eis gesteld moet worden dat voor de publicatie klemmende redenen van publiek belang bestaan, nu het immers niet gaat om een "zowel grievende als onterende beschuldiging van roofmoord" (rov. 5.10 van het Paroolarrest), maar naar de vaststelling van het hof - die, zoals hierna zal blijken, in cassatie tevergeefs wordt bestreden - slechts om een "op cynische, provocerende wijze aan de kaak stellen" van het verhaal van [eiser] dat het doden van [betrokkene 1] een verzetsdaad was. Het feit dat het hof bij zijn oordeel bovendien niet alleen de nagedachtenis van [betrokkene 1], maar ook de gevoelens van andere (nabestaanden van) slachtoffers van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog heeft betrokken, is evenmin onjuist. Het is voorts alleszins begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld - zoals dat oordeel moet worden verstaan - dat het algemeen belang is gediend met het bevredigen van het rechtsgevoel en de emoties van de slachtoffers van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en hun nabestaanden. Even begrijpelijk is het dat het hof in dit verband met name betekenis heeft gehecht aan de nagedachtenis van [betrokkene 1], die als joods onderduiker op zijn onderduikadres door [eiser] om het leven is gebracht.

Heeft [verweerster] gesuggereerd dat [eiser] bij het doden van [betrokkene 1] werd bewogen door de zucht naar geldelijk gewin?

3.11 De onderdelen 5-5.4 keren zich met motiveringsklachten tegen het door het hof gegeven oordeel in rov. 3.9 onder (a) dat [verweerster] niet heeft gesuggereerd dat [eiser] uit geldelijk gewin [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht en dat deze zaak daarom in zoverre afwijkt van de zaak van het Paroolarrest welke om de beschuldiging van roofmoord ging. De onderdelen houden in de kern de klacht in dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [verweerster] in wezen de suggestie van het Parool heeft herhaald dat [eiser] [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht met als motief geldelijk gewin, waarbij de onderdelen met name wijzen op de volgende passage uit de open brief:

"Over de werkelijke motieven van [eiser] om die onderduiker om zeep te brengen ga ik niet speculeren. Ik kijk wel uit. Wel staat vast dat die onderduiker een klein fortuin aan geld bezat, dat hij dag en nacht bij zich droeg. Dat weet Uw Raad net zo goed als ik. Uw Raad weet eveneens net zo goed als ik dat [eiser] kort na de moord door getuigen is gesignaleerd met een grote hoeveelheid geld, dat eruit zag alsof het in het water had gelegen. Hij was, als ik me goed herinner, bezig de bankbiljetten te drogen te hangen. Maar over de werkelijke motieven van [eiser] ga ik niet speculeren. Ik kijk wel uit. Laten de lezers hun eigen conclusies maar trekken."

3.12 De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij bestrijden niet het oordeel van het hof "dat er op zijn minst vraagtekens kunnen worden gezet bij de veronderstelling dat het doden van [betrokkene 1] een daad van verzet was, die noodzakelijk was ter bescherming van het leven van [eiser] en/of anderen" (rov. 3.6).

Het hof heeft dit oordeel op het volgende gebaseerd:

- [eiser] heeft in voormeld televisieprogramma de indruk gewekt dat het doden van [betrokkene 1] een daad van verzet was en dat dit objectief is komen vast te staan, gelet op de "rehabilitatie" door de Grote Adviescommissie der Illegaliteit,

- van rehabilitatie van [eiser] is echter geen sprake,

- [verweerster] gaat terecht ervan uit - onder meer op grond van de inhoud van het strafvonnis van de rechtbank van 15 juni 1944, het gratieadvies van Minister Kolfschoten van 14 januari 1946, diens brief aan de Grote Adviescommissie der Illegaliteit, en de uitspraak van de Centrale Raad van 6 november 1997, later nog gevolgd door de uitspraak van de Raadskamer WBP van de PUR van 10 juni 2005 - dat openlijk vraagtekens gezet kunnen worden bij de bewering dat hier sprake was van een daad van verzet.

3.13 Mede tegen deze achtergrond heeft het hof een niet onbegrijpelijk oordeel gegeven door de geciteerde passage aldus te lezen dat [verweerster] daarin, overigens in prikkelende bewoordingen, heeft gesteld dat zij niet gelooft dat het doden van [betrokkene 1] door [eiser] een verzetsdaad is. Anders dan Middelburg in de publicaties die hebben geleid tot het Paroolarrest, heeft zij immers niet de beschuldiging uitgesproken dat [eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan roofmoord, maar heeft zij zich ertoe beperkt vraagtekens te zetten bij de motieven die [eiser] in "Het uur van de Wolf" heeft gegeven voor zijn daad. Voorts is de open brief geen onderzoeksjournalistiek of pretendeert deze dat te zijn, maar gaat het om een opiniërende publicatie. Ook de omstandigheid dat de passage, op zichzelf gelezen, anders kan worden uitgelegd - namelijk aldus dat [verweerster] daarin in wezen de door Middelburg in Het Parool uitgesproken beschuldiging heeft herhaald dat [eiser] met het doden van [betrokkene 1] geen verzetsdaad heeft gepleegd, maar werd bewogen door de zucht naar geldelijk gewin - maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk. De onderdelen betogen voorts - terecht - niet dat voor de onderhavige uiting geen enkele feitelijke basis aanwezig was. Met zijn oordeel dat vraagtekens gezet kunnen worden bij de juistheid van de bewering dat hier sprake was van een daad van verzet, heeft het hof klaarblijkelijk gerefereerd aan rov. 9 van het vonnis van de rechtbank, waarin met name wordt aangehaald (i) dat niet eerst naar een ander onderduikadres voor [betrokkene 1] is gezocht, (ii) dat [eiser] op eigen naam het bootje heeft gehuurd waarmee het lijk is weggevoerd, (iii) dat hij na zijn aanhouding de naam heeft genoemd van degene die hem daarbij geholpen heeft, (iv) dat [eiser] vrijwel meteen na zijn aanhouding heeft verklaard dat het slachtoffer een ondergedoken jood was, en (v) dat hij niet consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd met het geld van [betrokkene 1] (naar [verweerster] onweersproken heeft gesteld, heeft [eiser] in het kader van de pensioenprocedure erkend f 250,-- te hebben gevonden in de bezittingen van [betrokkene 1] en zich dat geld te hebben toegeëigend).

In twijfel trekken van het verzetsverleden van [eiser]; grief ten onrechte niet besproken?

3.14 Onderdeel 6 betreft de suggestie die volgens [eiser] op diverse plaatsen in de open brief ligt besloten, dat te betwijfelen valt of hij wel enige verzetsactiviteit heeft verricht. Volgens [eiser] is hij ook daardoor in zijn eer en goede naam aangetast. De rechtbank heeft dit betoog verworpen. Tegen dit oordeel heeft [eiser] in hoger beroep een grief gericht. Het hof heeft deze grief ten onrechte onbesproken gelaten, aldus nog steeds het onderdeel.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat het feitelijke grondslag mist. Het hof heeft in rov. 3.8 immers onder meer als stelling van [eiser] aangehaald dat [verweerster] heeft herhaald dat hij ([eiser]) zich op een verzetsverleden zou "beroemen", en heeft hierover in rov. 3.9 geoordeeld dat [eiser] in "Het Uur van de Wolf" de indruk heeft gewekt dat het doden van [betrokkene 1] een verzetsdaad was, zodat het [verweerster] vrijstond hieraan te refereren. Daarop liet het hof volgen: "Meer heeft zij niet gedaan." Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat [verweerster] zich niet heeft uitgelaten over de vraag of [eiser] als verzetsdeelnemer viel aan te merken, maar zich heeft beperkt tot het uitspreken van twijfel over het verzetskarakter van het doden van [betrokkene 1]. Het hof heeft de onderhavige stelling van [eiser] dus niet onbesproken gelaten, maar verworpen.

Nog niet behandelde klachten

3.15 Ook voor zover de door het middel naar voren gebrachte klachten tot dusver niet zijn behandeld, falen zij. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 januari 2008.