Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB0428

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
43126
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB0428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 24, lid 4, Successiewet. In een andere lidstaat gevestigde anbi valt ook onder laag tarief. Strijdigheid EG verdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/610 met annotatie van Thomas
FutD 2008-0611 met annotatie van Fiscaal up to Date
NJB 2008, 825
FED 2008/101
BNB 2008/153
V-N 2008/17.22

Uitspraak

Nr. 43.126

21 maart 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2006, nr. 04/02189, betreffende na te melden aanslag in het recht van successie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is ter zake van haar verkrijging uit een in 2002 opengevallen nalatenschap een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 20 juni 2007 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is een het algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 24, lid 4, van de Succcessiewet 1956 (tekst 2002; hierna: SW) (hierna: anbi), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.

3.1.2. In 2002 heeft belanghebbende krachtens erfrecht een geldbedrag ontvangen uit de nalatenschap van een overledene, die ten tijde van haar overlijden binnen het Rijk woonde.

3.1.3. Het Verenigd Koninkrijk heeft niet de zogenoemde verklaring van wederkerigheid afgelegd als bedoeld in artikel 67, lid 2, letter d, van de SW.

3.1.4. Bij haar aangifte heeft belanghebbende het verschuldigde recht berekend naar een tarief van 11 percent (overeenkomstig artikel 24, lid 4, SW). De aanslag is berekend naar het tarief van tariefgroep III (andere verkrijgers), hetgeen resulteerde in een heffing van circa 50 percent van het verkregen bedrag.

3.2. Voor het Hof was in geschil of artikel 24, lid 4, SW strijdig is met het EG-Verdrag, voor zover het daarin genoemde tarief van 11 percent uitsluitend geldt voor een binnen het Rijk gevestigde anbi. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartegen keert zich het eerste middel.

3.3. Het Hof heeft klaarblijkelijk, en met juistheid tot uitgangspunt genomen dat het uit de SW voortvloeiende tariefsonderscheid voor anbi's, al naar gelang zij binnen dan wel buiten het Rijk gevestigd zijn, een beperking van het kapitaalverkeer behelst in de zin van artikel 56, lid 1, EG. Het Hof heeft zich dan ook met juistheid beperkt tot de vraag of voor dat tariefsonderscheid een rechtvaardiging kan worden ontleend aan artikel 58 EG.

3.4.1. In dit verband heeft het Hof in de eerste plaats geoordeeld dat de omstandigheid dat de (vreemde) Staat van vestiging niet een wederkerigheidsverklaring heeft afgelegd, een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt voor het verschil in behandeling tussen een binnenlandse en een buitenlandse anbi, zodat geen verboden discriminatie optreedt.

3.4.2. Dit oordeel is onjuist. Immers, artikel 56 EG verbiedt zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk om in dit verband verschil te maken tussen een binnenlandse en een buitenlandse anbi (behoudens aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond), zodat reeds artikel 56 EG in dit opzicht wederkerigheid bewerkstelligt (wederom: behoudens aanwezigheid van een aan artikel 58 EG te ontlenen rechtvaardigingsgrond); reeds daarom levert het ontbreken van een wederkerigheidsverklaring op zichzelf niet een zodanige rechtvaardigingsgrond op.

3.5. Hetgeen het Hof in dit verband verder nog heeft overwogen (onderdelen 12 en 13 van zijn uitspraak) is, op zichzelf bezien, onvoldoende om zijn beslissing te dragen.

3.6. Ter rechtvaardiging van het verschil in behandeling heeft de Minister nog betoogd dat de doeltreffendheid van de fiscale controle ernstig in gedrang kan komen indien de verkrijgende instelling buitenslands gevestigd is. Dat betoog faalt in zoverre dat de doeltreffendheid van de fiscale controle niet kan rechtvaardigen dat buitenslands gevestigde instellingen categorisch worden uitgesloten van het (gunstige) tarief van artikel 24, lid 4, SW. Immers, niets belet de Belastingdienst om van een buitenslands gevestigde instelling die voor dat tarief in aanmerking wenst te komen, de overlegging te verlangen van bewijsstukken aan de hand waarvan hij kan verifiëren of die instelling een anbi is in de zin van dat artikellid (zie o.m. het arrest van het HvJ EG van 14 september 2006, zaak C-386/04, Jurispr. blz. I-8203 (Centro di Musicologia Walter Stauffer, punten 46-49, geciteerd in onderdeel 6.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal)).

3.7. Ook overigens hebben de Inspecteur en de Minister geen argumenten aangevoerd die het tariefsonderscheid kunnen rechtvaardigen, zodat het eerste middel slaagt.

3.8. Het tweede middel keert zich tegen een overweging die 's Hofs beslissing omtrent de proceskosten niet draagt, en kan derhalve niet leiden tot cassatie van die beslissing.

3.9. De gegrondheid van het eerste middel brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

4.1. De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, de Inspecteur in die van het geding voor het Hof.

4.2. Belanghebbende heeft zowel voor het Hof als voor de Hoge Raad doen stellen dat haar gemachtigden (vooralsnog) deze procedure op eigen kosten hebben gevoerd. Noch voor het Hof, noch voor de Hoge Raad heeft belanghebbende doen stellen dat dit voorbehoud ("vooralsnog") inhoudt dat zij zich jegens haar gemachtigden heeft verbonden om aan haar gemachtigden de door deze werkelijk gemaakte kosten te vergoeden, indien de aanslag zou worden verminderd zoals de Hoge Raad thans beslist. Aldus is niet gebleken dat belanghebbende hogere kosten heeft moeten maken dan de forfaitaire, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of in het andere geval aanleiding zou bestaan voor vergoeding van hogere werkelijke kosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot op € a,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 422, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 273, derhalve in totaal € 695,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2008.