Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BA7675

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
02347/06 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BA7675
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag. Conservatoir beslag op onroerende zaken ex art. 94a Sv. Het Hof heeft het beklag ongegrond verklaard omdat de onroerende zaken “in feite middellijk” toebehoren aan iemand tegen wie nog een ontneming van w.v.v. loopt. HR herhaalt HR NJ 1998, 575 en HR LJN AT2970 m.b.t. beklag door een derde, niet beslagene. Voorts herhaalt de HR zijn zgn. BUCRO beschikking, HR NJ 1998, 591 m.b.t. inbeslagname van vermogensbestanddelen van een rechtspersoon enkel op de grond dat verdachte of veroordeelde aandeelhouder of bestuurder is van deze rechtspersoon. Het Hof heeft kennelijk voor ogen dat de onroerende zaken aan klaagster in eigendom toebehoren en dat deze zaken niet in verband staan met de strafbare feiten waarvoor die persoon is veroordeeld, op de voet van art. 94a.2 Sr kunnen dienen tot verhaal van een aan die persoon opgelegde betalingsverplichting op de enkele grond dat die persoon t.a.v. deze onroerende zaken feitelijk kan handelen als behoorden deze zaken hem toe. In zodanig geval heeft de wetgever evenwel, zoals uit de wetsgeschiedenis volgt, strafvorderlijk conservatoir beslag op de onroerende zaken, die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander dan aan wie het w.v.v. kan worden ontnomen a.b.i. art. 94a.3 Sv eerst toegelaten indien is voldaan aan de in die bepaling vermelde voorwaarden waaronder de voorwaarde dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn van het desbetreffende misdrijf. Het Hof heeft art. 94a.3 Sv miskend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 339
JOL 2008, 144
RvdW 2008, 272
JOW 2008, 55
NBSTRAF 2008/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2008

Strafkamer

nr. 02347/06 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 maart 2006, nummer 22/003827-05, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klaagster 3], (vertegenwoordigd door haar bestuurders [bedrijf B]), gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden beschikking

Het Hof heeft ongegrond verklaard het door de klaagster ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenstaande beschikking omschreven onroerende zaken.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage om opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over de ongegrondverklaring van het ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van de onder de klaagster gelegde beslagen op de ten processe bedoelde onroerende zaken.

3.2. De beschikking van het Hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Procesgang

Op 9 februari 2005 is op de onroerende zaken:

[d-straat 1] te [plaats B] en

[e-straat 1] te [plaats C], welke onroerende zaken op naam staan van de klaagster, conservatoir beslag gelegd ten laste van [betrokkene 2] ex artikel 94a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Op 7 maart 2005 is namens de klaagster een bezwaarschrift ex artikel 552a (oud) van het Wetboek van Strafvordering ingediend bij de griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage, ertoe strekkende dat het conservatoire beslag op de bovengenoemde onroerende zaken zal worden opgeheven met last tot teruggave aan de klaagster.

Bij vonnis van 31 maart 2005 is [betrokkene 2] veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.826.922,51 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 4 april 2005 en 11 april 2005 is tegen voornoemd vonnis respectievelijk door de veroordeelde en door de officier van justitie beroep ingesteld.

Daarop is nog niet beslist.

De raadkamer van de rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 14 juni 2005 zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het klaagschrift en heeft de zaak naar dit gerechtshof doorgezonden ter behandeling.

Het klaagschrift is door de raadkamer van dit hof op 21 oktober 2005 in het openbaar behandeld.

In raadkamer zijn gehoord de advocaat-generaal mr. C.J. Zweers en de raadsvrouw van de klaagster mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson, advocaat te 's-Gravenhage.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd het beklag ongegrond te verklaren. Zij heeft haar standpunten schriftelijk onderbouwd in haar reactie op het klaagschrift.

Beoordeling van het klaagschrift

Beslag kan worden gelegd tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan degene ten laste van wie het wordt gelegd op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar aanleiding van een door deze gepleegd misdrijf.

Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Haaglanden blijkt dat sinds 21 november 1989 [betrokkene 4] directeur/enige aandeelhouder van [klaagster 3] was.

Op 1 januari 1993 treedt [betrokkene 4] af en wordt [bedrijf B] de nieuwe directeur/bestuurder van [klaagster 3]

[betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn beiden aandeelhouder van [bedrijf B]

Op 1 september 1997 blijft vervolgens alleen [betrokkene 4] over als aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B]

(Bron: het rapport van de Regiopolitie Haaglanden, Centrale Justitiële Dienst, Bureau Regionale Recherche, nummer 15J2/201/1296, blz. 19 ev)

De onderhavige panden zijn op respectievelijk 13 maart 1990 en 9 april 1990 aangeschaft.

(Bron: een proces-verbaal "heling" d.d. 7 december 2001, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar, als financieel deskundige werkzaam bij de Financiële Unit en een andere daartoe bevoegde opsporingsambtenaar)

De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis tegen [betrokkene 2] van 31 maart 2005 het volgende overwogen:

"De rechtbank acht mede op basis van de verklaringen van [betrokkene 4] aannemelijk dat [klaagster 3], hoewel voornoemde [betrokkene 4] daarvan formeel directeur was, feitelijk eigendom van de veroordeelde (hof: [betrokkene 2]) is."

Goederen die in feite toebehoren aan de verdachte of veroordeelde maar die, zoals bijvoorbeeld onroerend goed en effecten op naam, op naam staan van iemand anders, kunnen slechts in beslag worden genomen onder die ander. Dat neemt niet weg dat het hof, gesteld voor de vraag of dat beslag kan worden opgeheven, moet beoordelen of rekening moet worden gehouden met de kans dat de rechter uiteindelijk hetzij zal oordelen dat het in beslag genomen goed in feite toebehoort aan de verdachte of veroordeelde hetzij zal oordelen dat het goed aan een derde toebehoort, maar dat is voldaan aan de vereisten van lid 3 van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. In beide gevallen acht de wetgever uitwinning immers gerechtvaardigd.

Nu blijkens het op dit punt gemotiveerde vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak tegen [betrokkene 2] het in beslag genomene in feite middellijk toebehoort aan [betrokkene 2], moet het hof er rekening mee houden dat in dat geding uiteindelijk zal komen vast te staan dat dat zo is. Deze mogelijkheid belet het hof thans om het beklag gegrond te verklaren.

Ten overvloede merkt het hof op dat, wanneer het geen rekening had moeten houden met feitelijk toebehoren aan de veroordeelde, het derde lid van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering niet aan gegrondverklaring van het beklag in de weg zou hebben gestaan. Het openbaar ministerie heeft de ontnemingsvordering immers onderbouwd met een vermogensvergelijking over een tijdvak, gelegen na de aanschaf van de in beslag genomen goederen en heeft in de beklagzaak niet gesteld dat het de vordering wil uitbreiden tot voordeel, verkregen uit voor het begin van dat tijdvak gepleegde misdrijven. Dat brengt mee dat het hof in de beklagzaak nu geen rekening behoort te houden met de kans dat aan het vereiste van onderdeel a zal blijken te zijn voldaan.

Nu in die ontnemingszaak tegen [betrokkene 2] nog niet onherroepelijk is beslist, brengt het belang van de strafvordering met zich dat het beslag dient te worden gehandhaafd, omdat vooralsnog niet is uit te sluiten dat dit oordeel van de rechtbank overeind blijft.

Het hof tekent hierbij aan dat indien uiteindelijk in die zaak anders wordt beslist, de klaagster een hernieuwd verzoek tot opheffing van het conservatoire beslag kan doen."

3.3. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Op de voet van art. 94a, derde lid, Sv is ter verzekering van het verhaal van een aan [betrokkene 2] op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, ten laste van [betrokkene 2] conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaken die in de daartoe bestemde openbare registers staan ingeschreven als in eigendom toebehorende aan de klaagster.

3.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

3.4.2. Indien na het op de voet van art. 94a Sv gelegd conservatoir beslag een derde klaagt dat een inbeslaggenomen voorwerp aan hem toebehoort, dient de beklagrechter na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt (vgl. HR 31 maart 1998, NJ 1998, 575). Indien dat niet het geval is, dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Indien dat wel het geval is, dient het eigendomsrecht van de klager te worden gerespecteerd, tenzij zich het geval voordoet als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv, namelijk dat het inbeslaggenomen voorwerp - kort gezegd - aan een derde te kwader trouw toebehoort (vgl. HR 5 juli 2005, LJN AT2970, rov. 3.5.;

HR 5 september 2006, NJ 2006, 612, rov. 9.4.). Om dat laatste aan te nemen moet aan alle in art. 94a, derde lid, Sv genoemde cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Ingeval art. 94a, derde lid, Sv wordt toegepast, kan het beslag ook op in het vierde lid van art. 94a Sv bedoelde goederen worden gelegd.

3.4.3. De vraag of het conservatoir beslag van art. 94a Sv mede kan dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor aan een verdachte of veroordeelde op te leggen verplichtingen als bedoeld in het eerste en tweede lid van deze bepaling door inbeslagneming van vermogensbestanddelen van een rechtspersoon (niet zijnde de verdachte of de veroordeelde) op de enkele grond dat de verdachte of veroordeelde als aandeelhouder of bestuurder met deze rechtspersoon kan worden vereenzelvigd, heeft de Hoge Raad met betrekking tot inbeslaggenomen onroerende zaken ontkennend beantwoord (vgl. HR 9 januari 1996, JOW 1996, 127, NJ 1998, 591; zgn. BUCRO-beschikking).

3.4.4. Het derde en het vierde lid van art. 94a Sv zijn ingevoerd bij Wet van 8 mei 2003, Stb. 202 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (aanpassing ontnemingswetgeving).

Aan de parlementaire voorbereiding valt het volgende te ontlenen.

"Bij de zogenoemde BUCRO-beschikking (HR 9 januari 1996, JOW 1996/127) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat strafvorderlijk conservatoir derdenbeslag op onroerende zaken niet kan worden gelegd, omdat artikel 94c Sv daartoe de mogelijkheid niet opent. (...) Op het punt van de schijnconstructies is verruiming van de wettelijke mogelijkheden gewenst.

(...)

Een nieuw derde lid van artikel 94a Sv regelt deze uitbreiding van het conservatoir beslag.

(...)

De formulering van het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 94a geeft aan in welke gevallen, naast de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, beslag kan worden gelegd bij derden die te kwader trouw voorwerpen onder zich hebben genomen of vervreemd. Het gaat daarbij niet alleen om voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn van het misdrijf. Ook voorwerpen die in niet rechtstreeks verband staan met het misdrijf zijn voor beslag vatbaar. Te denken valt bijvoorbeeld aan de met de opbrengsten van het misdrijf gekochte auto, die is gaan toebehoren aan de ander. Bij het middellijk verband valt eveneens te denken aan de vruchten van het onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstige voorwerp.

Voorts moet bij middellijkheid gedacht worden aan het geval waarin de ander het voorwerp niet meer heeft, bijvoorbeeld doordat hij het heeft doorverkocht. Dan kan beslag gelegd worden op de opbrengst of een ander voorwerp dat ervoor in de plaats is gesteld. Ook voorwerpen die gedeeltelijk met wederrechtelijk verkregen middelen zijn gefinancierd en gedeeltelijk met legale middelen, zijn "middellijk" van misdrijf afkomstig. Waar het om gaat is dat het beoogde voorwerp geheel of gedeeltelijk, rechtstreeks of via verschillende schakels, te herleiden is tot het oorspronkelijk door het misdrijf verkregen voorwerp. Deze uitbreiding van de beslagmogelijkheden betekent dat ook aan een derde toebehorende onroerende zaken in beslag genomen kunnen worden ter bewaring van het recht tot verhaal. Door de plaatsing van deze uitbreiding van de voor beslag en uitwinning vatbare voorwerpen in artikel 94a, derde lid, is, vanwege artikel 94c, op deze voorwerpen hetzelfde regiem van toepassing als geldt voor het beslag op de in de twee eerste leden van artikel 94a bedoelde voorwerpen.

(...)

Het openbaar ministerie en de NVvR zijn blijkens hun commentaren op het ontwerp van dit wetsvoorstel van mening dat de voorgestelde beslagmogelijkheid niet ver genoeg gaat. In het bijzonder vinden beide dat niet de eis gesteld zou moeten worden dat het bij de derde in beslag te nemen voorwerp direct of indirect afkomstig is van het misdrijf ter zake waarvan de bij de ontneming betrokkene wordt verdacht of is veroordeeld. Ook voorwerpen die weliswaar geen relatie hebben met het misdrijf maar door de verdachte c.q. de veroordeelde bij een ander worden ondergebracht met het doel uitwinning van zijn vermogen te bemoeilijken, zouden volgens OM en NVvR moeten kunnen worden beslagen. (...)

Ik meen dat de voorstellen van OM en NVvR te ver gaan. (...) Derden zijn in beginsel niet met hun vermogen aansprakelijk voor vorderingen van de schuldenaar. Het derdenbeslag maakt op dit beginsel een uitzondering, die een goede rechtvaardiging behoeft. Die rechtvaardiging kan in het bijzonder worden gevonden in het geval dat de derde welbewust of aanmerkelijk onvoorzichtig meewerkt aan een constructie waardoor wederrechtelijk verkregen vermogensbestanddelen aan het zicht van justitie worden onttrokken; de derde kan in deze situatie als een heler of witwasser worden aangemerkt. In de voorstellen van het OM en de NVvR is geen enkel verband tussen het in beslag te nemen voorwerp en het misdrijf vereist, noch hoeft de derde te weten of te vermoeden dat zijn wederpartij een deel van zijn vermogen wederrechtelijk heeft verkregen. Het enkele meewerken aan het frustreren van verhaal op het vermogen van de wederpartij zou dan voldoende grond zijn voor beslag en verhaal op het vermogen van de derde. Dit is mijns inziens niet verenigbaar met het hiervoor vermelde beginsel van beperkte aansprakelijkheid in het kader van het derdenbeslag.

De opmerkingen van OM en NVvR zijn voor mij wel aanleiding om op andere wijze het voorgestelde derdenbeslag een zekere uitbreiding te geven. De in artikel 94a, derde lid, Sv voorgestelde beslagmogelijkheid is beperkt tot voorwerpen die van misdrijf afkomstig zijn, zij het dat daaronder ook de voorwerpen vallen die door de bij de ontneming betrokkene of de derde in de plaats zijn gesteld van de oorspronkelijke, rechtstreeks van het misdrijf afkomstige voorwerpen. Deze beslagmogelijkheid houdt dus op te bestaan wanneer de derde het van misdrijf afkomstige voorwerp heeft opgesoupeerd of anderszins "weggemaakt", zonder dat daarvoor een ander voorwerp in de plaats is gesteld. Het is redelijk om in zo'n geval beslag mogelijk te maken op andere voorwerpen die toebehoren aan de derde, tot ten hoogste het bedrag van de van misdrijf afkomstige voorwerpen. Een nieuw vierde lid van artikel 94a strekt hiertoe. Dit is in overeenstemming met de regels en uitgangspunten van het privaatrecht. Overigens is deze uitbreiding van de beslagmogelijkheid niet beperkt tot de situatie waarin het van misdrijf afkomstige voorwerp er niet meer is; de beslaglegger kan ervoor kiezen om wanneer laatstbedoeld voorwerp er nog is, toch een ander voorwerp te beslaan, bijvoorbeeld omdat dat gemakkelijker te beslaan of uit te winnen is. Ook waardevermindering van het van misdrijf afkomstige voorwerp kan reden zijn om (tevens) een ander voorwerp in beslag te nemen, tot in totaal de oorspronkelijke waarde van het van misdrijf afkomstige voorwerp."

(Kamerstukken II 2001-2002, 28 079, nr. 3, p. 17-21).

3.5. Het Hof heeft geoordeeld dat het beklag ongegrond is omdat de onroerende zaken "in feite middellijk" toebehoren aan [betrokkene 2]. Aldus heeft het Hof kennelijk voor ogen dat de onroerende zaken, hoewel zij naar maatstaven van burgerlijk recht aan de klaagster in eigendom toebehoren en deze zaken niet in verband staan met de strafbare feiten waarvoor die [betrokkene 2] is veroordeeld, op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv kunnen dienen tot verhaal van een aan [betrokkene 2] opgelegde betalingsverplichting op de enkele grond dat die [betrokkene 2] ten aanzien van deze onroerende zaken feitelijk kan handelen als behoorden deze zaken hem toe. In zodanig geval heeft de wetgever evenwel, naar uit vorenweergegeven wetsgeschiedenis volgt, strafvorderlijk conservatoir beslag op de onroerende zaken, die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander dan degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv, eerst toegelaten indien is voldaan aan de in die bepaling vermelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het desbetreffende misdrijf.

Het Hof heeft door te overwegen als voormeld art. 94a, derde lid, Sv miskend.

Het middel, dat daarop gerichte klachten bevat, slaagt.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2008.