Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BA6418

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
43534
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BA6418
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBLEE:2006:AY5106, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 14 Wet IB 1964. Uitleg begrip 'opbrengst bij vervreemding'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/223 met annotatie van R.P.C. CORNELISSE
FED 2008/79
Belastingadvies 2008/14_15.5
V-N 2008/27.10 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.534

6 juni 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X1 B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden van 21 juli 2006, nr. AWB 05/962, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 26 april 2007 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbendes dochtermaatschappij, X2 B.V., met belanghebbende gevoegd in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb), heeft in het onderhavige jaar (1999) vijf tot dan toe door haar verhuurde vakantiewoningen verkocht. De daarbij gerealiseerde boekwinst ad ƒ 139.000 heeft belanghebbende op de voet van artikel 8 Wet Vpb in verbinding met artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) in een vervangingsreserve opgenomen. De ter zake van de vervreemding gemaakte kosten, bestaande uit notariskosten, makelaarskosten en overdrachts-belasting, van in totaal ƒ 123.081 zijn direct ten laste van het fiscale resultaat gebracht. De Inspecteur heeft de omvang van de dotatie aan de vervangingsreserve neerwaarts gecorrigeerd met het bedrag van de verkoopkosten.

3.2. Voor de Rechtbank was in geschil of de vervangingsreserve kon worden gesteld op het bij de vervreemding behaalde brutoresultaat van ƒ 139.000, zoals belanghebbende bepleitte, of dat deze vervangingsreserve moest worden gesteld op het bij de vervreemding behaalde nettoresultaat van ƒ 15.919, hetgeen de Inspecteur bepleitte. De Rechtbank heeft dienaangaande geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 14 van de Wet IB de wetgever door de invoering van de vervangingsreserve onder omstandigheden bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen uitstel van winstneming heeft toegestaan, teneinde de ondernemer in staat te stellen zonder liquiditeits- en rentenadelen de uitgaven voor de vervanging van de desbetreffende bedrijfsmiddelen te financieren, en dat de wetgever aldus de ondernemer de mogelijkheid heeft willen bieden om hetgeen bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen als winst zou zijn verantwoord, te reserveren ter financiering van de uitgaven voor de vervangende bedrijfsmiddelen. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat in bedrijfseconomische zin vervreemdingsopbrengst ontstaat nadat de rechtstreeks aan de vervreemding toerekenbare kosten zijn goedgemaakt. De Rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat onder het in artikel 14 Wet IB gebezigde begrip "opbrengst" moet worden verstaan de bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel verkregen tegenprestatie verminderd met de rechtstreeks aan die vervreemding toerekenbare kosten.

3.3. Middel 1 strekt ten betoge dat de tekst van artikel 14 Wet IB geen ruimte laat voor de hiervoor in 3.2 weergegeven conclusie van de Rechtbank.

Het middel faalt. De tekst van artikel 14 Wet IB, in het bijzonder het aldaar gebezigde begrip "opbrengst bij vervreemding", geeft geen uitsluitsel over de vraag of de vorming van een vervangingsreserve ziet op de opbrengst vóór dan wel na aftrek van de rechtstreeks met de vervreemding verband houdende kosten. Uit de door de Rechtbank in de onderdelen 4.2 en 4.3 van zijn uitspraak aangehaalde passages uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 14 Wet IB moet worden afgeleid dat de wetgever met de vervangingsreserve heeft bedoeld een faciliteit te bieden bestaande in de mogelijkheid tot verschuiving van winst van het ene naar het andere jaar teneinde een liquiditeits- en een rentenadeel voor de ondernemer te voorkomen indien deze een verloren gegaan of vervreemd bedrijfsmiddel wenst te vervangen. Gelet hierop is de conclusie van de Rechtbank juist.

3.4. Het hiervoor in 3.3 overwogene brengt mee dat middel 2 faalt bij gebrek aan belang.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2008.