Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BA6417

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-09-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
43366
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BA6417
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AX9632, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

- artikel 20b, lid 1, letter c, Wet IB 1964;

- terugbetaling agio zonder statutenwijziging belast, ondanks afwezigheid zuivere winst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 88
BNB 2009/13 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2009/30 met annotatie van J. Ganzeveld
Belastingadvies 2008/19.7
V-N 2008/43.14 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1890
NTFR 2008/2133 met annotatie van mr. W. Verstijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.366

12 september 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 mei 2006, nr. 04/04001, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 aan aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. H.M.N. Schonis, advocaat te Waalwijk.

Op 16 mei 2007 heeft de Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is vanaf de oprichting op 19 juli 1997 enig aandeelhouder van D B.V. (hierna: de BV). Bij de oprichting van de BV bedroeg het nominaal gestorte kapitaal ƒ 1.000.000. Op 23 oktober 1999 is het kapitaal van de BV uitgebreid met ƒ 100.000. Bij die gelegenheid heeft belanghebbende een agio gestort van ƒ 3.480.000. Op 12 december 2000 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV besloten om van het agio ƒ 3.300.000 uit te keren aan belanghebbende. Betaling van genoemd bedrag heeft op dezelfde dag plaatsgevonden door een verrekening in de rekening-courant met belanghebbende. Ultimo 2000 bedroeg het vermogen van de BV ƒ 1.117.611, bestaande uit ƒ 1.100.000 nominaal aandelenkapitaal, ƒ 180.000 agio en ƒ 162.389 verliessaldo. In het vermogen van de vennootschap schuilen geen stille reserves.

3.1.2. De Inspecteur heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen waarin begrepen is ƒ 3.300.000 winst uit aanmerkelijk belang.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur de terugbetaling van agio terecht tot het belastbare inkomen heeft gerekend. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval belastingheffing over de terugbetaling van het agio voor een bedrag van ƒ 3.300.000 eenvoudig had kunnen worden vermeden door de agioreserve tot dit bedrag om te zetten in nominaal gestort aandelenkapitaal en vervolgens dit kapitaal met dit bedrag te verminderen en terug te betalen aan belanghebbende. Nu, zonder dat daarvoor goede redenen bestonden, is nagelaten de hiervoor geschetste weg te volgen, is er naar het oordeel van het Hof geen mogelijkheid de belastingheffing die volgens de duidelijke tekst van artikel 20b, lid 1, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) behoort plaats te vinden, achterwege te laten.

3.3. Het middel, dat dit oordeel bestrijdt, faalt. Artikel 20b, lid 1, letter c, van de Wet strekt zich naar zijn bewoordingen uit tot een uitkering ten laste van de agioreserve zoals de onderhavige. De ontstaansgeschiedenis van die bepaling biedt geen steun voor het standpunt dat naar de bedoeling van de wetgever agio niet valt onder "hetgeen op aandelen is gestort". De strekking van die bepaling dwingt niet ertoe aan te nemen dat zij zich in weerwil van haar bewoordingen niet uitstrekt tot een uitkering ten laste van de agioreserve zoals de onderhavige.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2008.