Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BA5799

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
C06/082HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BA5799
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AV4303, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervoersrecht. Goederenvervoerder over zee onder cognossement. Ladingschade als gevolg van slecht onderhouden containers die vervoerder aan afzender ter beschikking heeft gesteld; niet art. 8:23 BW maar Hague-Visby Rules van toepassing; geen beroep op containerclausule (exoneratie); zorgplicht van vervoerder uit art. 3 lid 1, aanhef en onder a-c, HVR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 505 met annotatie van K.F. Haak
JOL 2008, 72
RvdW 2008, 177
S&S 2008, 46
NJB 2008, 447
JWB 2008/54
CMI 158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 februari 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/082HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. NILE DUTCH AFRICA LIJN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. STAKLEX SHIPPING CO. LTD,

gevestigd te Limassol, Cyprus,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. PREMIUM TOBACCO INVESTMENTS N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de vennootschap naar Zwitsers recht M. MEERAPFEL SÖHNE A.G.,

gevestigd te Basel, Zwitserland,

4. de vennootschap naar Kameroens recht CETAC,

gevestigd te Douala, Kameroen,

VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen tot het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.V. Polak.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als NDAL c.s. en Delta Lloyd c.s., dan wel afzonderlijk als NDAL, Staklex, Delta Lloyd, Tobacco, Meerapfel en Cetac.

1. Het geding in feitelijke instanties

Delta Lloyd c.s. hebben bij exploot van 3 april 2002 NDAL c.s. gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd, kort gezegd, NDAL c.s. te veroordelen om aan Delta Lloyd, subsidiair Meerapfel, meer subsidiair Tobacco en uiterst subsidiair Cetac te betalen een bedrag van € 29.975,61, met rente en kosten.

NDAL c.s. hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 augustus 2003 partijen een bewijsopdracht verstrekt.

Tegen dit tussenvonnis hebben NDAL c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 30 augustus 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak voor verdere afhandeling en beslissing terug naar de rechtbank Rotterdam gewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben NDAL c.s. beroep in cassatie ingesteld. Delta Lloyd c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor NDAL c.s. mede door mr. N.T. Dempsey en voor Delta Lloyd c.s. mede door E.J. Smilde, beiden advocaten bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De advocaat van NDAL c.s. heeft bij brief van 8 juni 2007 op die conclusie gereageerd.

Op verzoek van de Hoge Raad heeft de Advocaat-Generaal een aanvullende conclusie genomen ter bespreking van het door Delta Lloyd c.s. voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep. De aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het incidentele beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Cetac heeft als afzender bij NDAL zeevervoer geboekt van 398 balen ruwe tabak van Douala in Kameroen naar Amsterdam. Cetac heeft de balen geladen in vier door NDAL aan haar ten behoeve van het vervoer ter beschikking gestelde containers. De containers zijn door NDAL vervoerd aan boord van het aan Staklex in eigendom toebehorende m.s. "NDS Provider".

(ii) Voor dit vervoer is een schoon ordercognossement afgegeven aan Cetac. Het cognossement is op een formulier van NDAL gesteld en door de kapitein getekend. Dit cognossement noemt Cetac als shipper en Meerapfel respectievelijk Tobacco, als notify address. Het verklaart de Hague Visby Rules (HVR) van toepassing en daarnaast Nederlands recht. De lading wordt in het cognossement omschreven als: "vier 20' containers FCL/FCL disant contenir 398 balles de tabacs en feuille". Het cognossement behelst met betrekking tot containervervoer de volgende bepalingen:

"Container stowage

a) The Carrier shall be under no liability in the event of loss of or damage to any of the goods, directly or indirectly caused by (...) unsuitability or defective condition of the container."

"Container clauses (FCL only: Line's owned containers ...)

Shippers load, stow and count. Contents, quantity and quality not checked by Master and/or agents.

Container is being put at the disposal of the merchant by the carrier. Merchant to pay rental for the use of the container (...)."

(iii) Na aflevering in Amsterdam tegen presentatie van het cognossement door Tobacco aan [A] B.V. als agent van NDAL en Staklex, zijn de containers over de weg naar de fabriek van Meerapfel in Oudenbosch vervoerd.

(iv) Een aantal balen tabak uit twee van de vier containers is met waterschade afgeleverd. De experts van partijen zijn tot de conclusie gekomen dat de slechte toestand van de twee containers (gaten als gevolg van roestvorming) de oorzaak van de waterschade is geweest.

3.2.1 In dit geding heeft Delta Lloyd, zich beroepend op het aan Cetac afgegeven schone cognossement, van NDAL vergoeding gevorderd van de schade aan de vervoerde lading. NDAL heeft niet bestreden dat de schade is veroorzaakt door gebrekkige toestand van de door haar voor het vervoer ter beschikking gestelde containers, maar heeft zich ter afwering van haar aansprakelijkheid, voor zover in cassatie van belang, beroepen op het hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde exoneratiebeding uit de containerclausule in het cognossement en de in art. 4 lid 2, aanhef en onder i (een handeling of nalaten van de afzender) en onder n (onvoldoende verpakking), Hague-Visby Rules (hierna: HVR) vermelde bevrijdende oorzaken.

3.2.2 De rechtbank heeft, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, geoordeeld dat de containers in het onderhavige geval moeten worden aangemerkt als onderdeel van het schip in de zin van art. 3 lid 1 HVR en dus niet als verpakking van lading. Daarom heeft de in art. 3 lid 1 HVR geregelde zorgplicht van de vervoerder ook betrekking op door hem ten behoeve van het vervoer aan de afzender ter beschikking gestelde containers. Gelet op art. 3 lid 8 HVR doet het exoneratiebeding in de containerclausule hieraan niet af. De rechtbank droeg daarom NDAL op te bewijzen dat Cetac (na eventuele selectie en inspectie) bekend moet zijn geweest met de slechte toestand van de onderhavige containers en deze toch geschikt heeft bevonden voor het vervoer van de onderhavige lading.

3.2.3 Het hof heeft, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat de containers geen deel van het schip vormen, maar als verpakking (laadkisten) dienen te worden aangemerkt (rov. 10). Hiermee is echter niet gezegd dat NDAL c.s. een beroep kunnen doen op art. 4 lid 2, onder n, HVR (onvoldoende verpakking) of op de containerclausule (rov. 11). Vaststaat dat de twee, aan NDAL toebehorende, containers in slechte staat verkeerden wegens de aanwezigheid van gaten als gevolg van roestvorming en dat deze slechte staat de oorzaak van de schade is geweest (rov. 12). Die slechte staat van onderhoud - waarvan gesteld noch gebleken is dat die aan NDAL niet bekend was of behoorde te zijn - had NDAL ervan moeten weerhouden deze containers aan Cetac ter beschikking te stellen, temeer vanwege de op NDAL als vervoerder rustende zorgplicht met betrekking tot de lading. Haar beroep op de - aan haarzelf te wijten - ongeschiktheid van de containers kan daarom niet zonder meer (ten volle) worden gehonoreerd; de schade is hier immers niet veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. Bovendien dient een exoneratie buiten toepassing te blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (rov. 13). De wederpartij van de vervoerder, die gebruik maakt van een hem door de vervoerder ten behoeve van het vervoer ter beschikking gestelde, gebruikelijke, verpakking, behoeft er - in beginsel - ook niet op bedacht te zijn dat hij achteraf krijgt tegengeworpen dat deze verpakking vanwege een aan de vervoerder zelf te wijten slechte staat van onderhoud vervoersongeschikt is. Anders wordt het, indien de afzender - of een van de andere in art. 4, lid 2, onder i, HVR genoemde personen - bekend moet zijn geweest met de slechte toestand van de containers en niettegenstaande deze bekendheid de containers toch vervoersgeschikt voor de lading heeft bevonden. Alsdan kan immers aanleiding bestaan voor het aannemen van eigen schuld van de afzender (rov. 14).

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel I.1 - onderdeel I bevat geen klacht, maar slechts een inleiding - is met een rechts- en een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel van het hof dat NDAL geen (in verband met haar hiervoor in 3.2.1 vermelde verweren: bevrijdend) beroep toekomt op de ongeschiktheid van de containers voor het overeengekomen vervoer, omdat de schade niet is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. Volgens het onderdeel blijkt uit de door het hof gekozen bewoordingen dat het zijn oordeel heeft gebaseerd op de artikelen 8:21 en/of 8:23 BW. Daarmee heeft het hof miskend dat deze bepalingen slechts betrekking hebben op overeenkomsten van de goederenvervoer die niet elders zijn geregeld (art. 8:32 BW). In deze zaak gaat het echter om een overeenkomst tot goederenvervoer over zee onder cognossement, waarvoor de HVR een bijzondere regeling bevatten. Als het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

4.2 Het hof heeft zijn door het onderdeel bestreden oordeel klaarblijkelijk gebaseerd op art. 8:23 BW. Dusdoende heeft het hof miskend dat deze bepaling ingevolge artikel 8:32 slechts geldt ten aanzien van niet elders in Boek 8 BW geregelde overeenkomsten van goederenvervoer. Overeenkomsten van goederenvervoer over zee onder cognossement vinden echter hun regeling in art. 8:371, dat in lid 3 onder de daar aangegeven voorwaarden - kort gezegd - rechtstreekse werking verleent aan de HVR. Deze bevatten in de artikelen 3 en 4 een aparte regeling van de aansprakelijkheid van de zeevervoerder onder cognossement. In het in deze artikelen neergelegde aansprakelijkheidsregime is, nu het gaat om eenvormige regels op het terrein van het internationaal goederenvervoer ook geen plaats voor toepassing van uit andere regels van nationaal recht, zoals de beperkende werking van de redelijkheid (art. 6:248 lid 2 BW), af te leiden uitzonderingen (vgl. HR 24 april 1992, nr. 14508, NJ 1992, 688). Hoewel het onderdeel terecht is voorgesteld kan het niet tot cassatie leiden. De beslissing van het hof dat aan NDAL geen beroep toekomt op de bevrijdende oorzaken uit art. 4 lid 2, onder i en n, HVR en op de exoneratieclausule uit het cognossement is op de hierna te vermelden gronden juist.

4.3 Ingevolge art. 3 lid 1 HVR dient de zeevervoerder voor en bij de aanvang van de reis redelijke zorg aan te wenden voor: het zeewaardig maken van het schip (onder a), het behoorlijk bemannen, uitrusten en bevoorraden van het schip (onder b) en het geschikt maken en in goede staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip waarin zaken worden geladen om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed te houden (onder c). De tekst van art. 3 lid 1, aanhef en onder c, HVR geeft geen eenduidig antwoord op de vraag of de in een geval als het onderhavige door de vervoerder aan de afzender voor het vervoer van de lading ter beschikking gestelde containers moeten worden aangemerkt als deel van het schip waarin lading wordt vervoerd dan wel met dergelijke laadruimte op een lijn moeten worden gesteld. Ook de door het Comité Maritime International (CMI) in 1997 gepubliceerde en openbaar toegankelijke wordingsgeschiedenis (The travaux préparatoires of the international convention for the unification of certain rules of law relating to bills of lading of 25 august 1924, the Hague Rules and of the protocols of 23 february 1968 and 21 december 1979, the Hague-Visby Rules) verschaft op dit punt geen duidelijkheid. Zoals blijkt uit de in de aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 vermelde rechtspraak en literatuur ontbreekt in de kring van bij de CMI aangesloten staten een heersende opvatting omtrent de juiste uitleg van deze bepaling. Onder dergelijke omstandigheden komt bij de uitleg van een bepaling van eenvormig privaatrecht als art. 3 lid 1, aanhef en onder c, HVR beslissende betekenis toe aan het doel en de strekking van die bepaling (vgl. HR 29 juni 1990, nr. 13672, NJ 1992, 106; HR 14 juli 2006, nr. C04/290, NJ 2006, 599).

4.4 De strekking van de zorgplicht van de vervoerder uit art. 3 lid 1, aanhef en onder a-c, HVR is dat het schip de lading moet beschermen tegen de gevaren van de zee, zodat het geschikt is om de lading te vervoeren, ook wel aangeduid als de "cargoworthiness" of ladinggeschiktheid van het schip (zie de aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6). Zulks brengt mee, dat de vervoerder ook ervoor dient te zorgen dat door hem speciaal voor het vervoer aan boord van het schip ter beschikking gestelde containers geschikt zijn om de daarin geplaatste lading te vervoeren. Deze zorgplicht brengt mee dat, zoals in dezelfde mate geldt voor het ruim van het schip, in die containers geen water kan binnendringen. Voor een dergelijke uitleg pleit ook dat in het met art. 3 lid 1, aanhef en onder c, HVR corresponderende art. 16 lid 1, aanhef en onder c, van de United Nations Draft convention on the carriage of goods [wholly or partly] [by sea], versie 13 februari 2007, die is opgesteld om op termijn de HVR te gaan vervangen expliciet wordt bepaald dat tot de delen van het schip waartoe de zorgplicht van de vervoerder zich uitstrekt ook de door de vervoerder ter beschikking gestelde containers behoren. Door in het onderhavige geval voor het vervoer van de lading containers ter beschikking te stellen waarin als gevolg van roestvorming gaten waren ontstaan waardoor tijdens het vervoer zeewater eenvoudig de containers kon binnendringen, heeft NDAL de op haar als zeevervoerder rustende zorgplicht veronachtzaamd. Het bepaalde in art. 3 lid 8 en art. 4 lid 1 HVR brengt mee dat NDAL zich ter ontheffing van de hieruit voor haar voortvloeiende aansprakelijkheid niet met succes kan beroepen op de in art. 4 lid 2 HVR opgesomde bevrijdende oorzaken of op de exoneratieclausule uit het cognossement (vgl. HR 11 juni 1993, nr. 14969, NJ 1995, 235). Op het voorgaande stuiten ook de overige onderdelen van het principale cassatiemiddel af.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

Nu de voorwaarde waaronder het beroep is ingesteld, niet is vervuld, behoeft het middel niet te worden behandeld.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt NDAL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd c.s. begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheren E.J. Numann op 1 februari 2008.