Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BA4120

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
41949
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BA4120
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 20a, lid 3, vijfde volzin, Wet IB 1964. Opties op nieuw uit te geven aandelen. Omvang geplaatste kapitaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/12 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2008/96 met annotatie van J. Ganzeveld
Belastingadvies 2008/16.5
V-N 2008/34.10 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.949

11 juli 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2005, nr. BK-03/02477, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 5 april 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is gehuwd met X-Y (hierna: X-Y). Zij genoot in het onderhavige jaar het hoogste persoonlijke inkomen als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1998; hierna: de Wet). X-Y is sinds september 1996 in dienstbetrekking werkzaam bij A N.V. (hierna: A). Op 22 februari 1997 heeft A aan X-Y 420.000 rechten toegekend tot het deelnemen in het kapitaal van A door middel van verwerving van door A uit te geven gewone aandelen (hierna: de optierechten). Volgens de optieovereenkomst konden de optierechten gedurende een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van toekenning, worden uitgeoefend. A heeft daarnaast op 25 juni 1997 20.400 gewone aandelen uitgegeven aan X-Y.

3.1.2. Het geplaatste aandelenkapitaal van A bestond - voor zover in cassatie van belang - uit 4.684.000 gewone aandelen met een nominale waarde van ƒ 1. Voorts waren er aan derden rechten toegekend om 6.229.000 gewone aandelen in het kapitaal van A te verwerven.

3.1.3. Op 23 juni 1998 heeft X-Y 440.400 gewone aandelen in A aan derden verkocht. De levering van de aandelen heeft plaatsgevonden op 7 oktober 1998, nadat A op deze dag ter uitvoering van de hiervoor genoemde optieovereenkomst aan X-Y 420.000 nieuwe gewone aandelen had uitgegeven.

3.1.4. De Inspecteur heeft het voordeel behaald bij de verkoop van de aandelen A uiteindelijk gesteld op ƒ 475.226 en dit bedrag als winst uit aanmerkelijk belang tot het inkomen van belanghebbende gerekend.

3.2. Voor het Hof was - voor zover in cassatie van belang - in geschil het antwoord op de vraag of de optierechten behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a, lid 3, vijfde volzin, van de Wet. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

3.3. Het middel acht in de eerste plaats onjuist het oordeel van het Hof dat rechten om aandelen te verwerven die (nog) niet tot het geplaatste kapitaal van de vennootschap behoren (hierna ook: rechten om nieuw uit te geven aandelen te verwerven) een aanmerkelijk belang kunnen vormen in de zin van artikel 20a, lid 3, vijfde volzin, van de Wet. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

Ingevolge artikel 20a, lid 3, vijfde volzin, van de Wet wordt een aanmerkelijk belang aanwezig geacht indien de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, onmiddellijk of middellijk rechten heeft om onmiddellijk of middellijk tot een omvang van ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van een vennootschap aandelen daarin te verwerven (koopoptie). Naar de tekst maakt deze bepaling geen onderscheid tussen het geval waarin de rechten om aandelen te verwerven betrekking hebben op bestaande aandelen en het geval - zoals het onderhavige - waarin vorenbedoelde rechten betrekking hebben op nieuw uit te geven aandelen. Het is ook in overeenstemming met de strekking van de bepaling zoals deze blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal (onderdelen 3.2 en 3.4) geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis - te weten: het op één lijn stellen van een optiehouder met een aandeelhouder indien het economische belang bij de onderliggende aandelen geheel of gedeeltelijk bij de desbetreffende optiehouder rust - dat de toepassing van deze bepaling niet is beperkt tot het geval waarin de rechten om aandelen te verwerven betrekking hebben op bestaande aandelen. Immers, ook in geval deze rechten betrekking hebben op nieuw uit te geven aandelen zal de waardeontwikkeling van de vennootschap de desbetreffende optiehouder aangaan. Mitsdien heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat rechten om nieuw uit te geven aandelen te verwerven een aanmerkelijk belang kunnen vormen in de zin van artikel 20a, lid 3, vijfde volzin, van de Wet. Het middel faalt derhalve in zoverre.

3.4. Voorts stelt het middel aan de orde op welke wijze moet worden beoordeeld of de optierechten betrekking hebben op ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van A. Het middel strekt ten betoge dat het Hof, door bij die beoordeling uit te gaan van het feitelijk geplaatste aandelenkapitaal en geen rekening te houden met de toename van het aandelenkapitaal als gevolg van de mogelijke uitoefening van de optierechten door X-Y alsmede de hiervoor in 3.1.2 vermelde rechten van derden om aandelen in A te verwerven, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

Bij de beoordeling of een bepaald bezit aan rechten om aandelen in een vennootschap te verwerven moet worden aangemerkt als een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 20a, lid 3, vijfde volzin, van de Wet, dient te worden uitgegaan van het feitelijk geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap op het beoordelingsmoment. Dit is in overeenstemming met de tekst van de bepaling, welke immers spreekt van "een omvang van ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van een vennootschap", en vindt steun in de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in onderdeel 3.4 weergegeven wetsgeschiedenis.

's Hofs uitgangspunt is derhalve juist.

Het middel faalt derhalve ook voor het overige.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2008.