Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BA0613

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
43252
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BA0613
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:BA1646, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7494, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomst met de belastingdienst, die een bewust van de wet afwijkende afspraak bevat omtrent het belastingjaar ten laste van de winst waarvan een bedrag aan investeringsaftrek over het jaar 2000 kan worden gebracht, is niet zozeer in strijd met de wet dat belanghebbende op nakoming daarvan niet mocht rekenen. Die overeenkomst diende de rechter in aanmerking te nemen bij het beoordelen van de omvang van het geschil over het jaar 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/284 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 2008/112 met annotatie van J.A. SMIT
Belastingadvies 2008/16.1
V-N 2008/38.7 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.252

11 juli 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 april 2006, nr. P04/03658, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Op 26 februari 2007 heeft de Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende had in het onderhavige jaar (2001) één participatie in F C.V. (hierna: de CV), een zogenoemde film-CV. In totaal waren 3750 participaties van ƒ 10.000 uitgegeven aan ruim 2200 participanten.

3.1.2. Vóór de oprichting van de CV is een door de toenmalige gemachtigde van de CV opgestelde winstvaststellingsovereenkomst (hierna: WVO) op 11 november 1999 voor akkoord ondertekend door de inspecteur van de Belastingdienst Q (hierna: de inspecteur Q).

3.1.3. De WVO bevat onder meer de volgende passages:

Paragraaf 2, Fiscale behandeling, onderdeel 3)

De commanditaire vennoten hebben recht op de investeringsaftrek ex art. 11 Wet IB vanwege het maken van voortbrengingskosten voor de film. De voortbrengingskosten zullen direct na het gereedkomen van de CV in 1999 en 2000 gemaakt worden. De investeringsaftrek zal berekend worden over het evenredig aandeel in de investering per commanditaire vennoot. Terzake van de aanschaf van de filmrechten door de CV kan iedere vennoot aanspraak maken op investeringsaftrek over zijn aandeel in de film.

Het recht op investeringsaftrek bestaat in het jaar 2000. Het feit dat een deel van de film in het buitenland wordt opgenomen zal geen belemmering vormen voor het verkrijgen van investeringsaftrek over de totale voortbrengingskosten van de film.

(...)

Mochten de cijfers naderhand iets worden gewijzigd, dan zullen uiteraard de gecorrigeerde cijfers worden gebruikt.

(Paragraaf 3, Formele aspecten)

(...)

4. De fiscale winst met alle correcties daarop zoals verminderingen of aftrekken en vermeerderingen of bijtellingen wordt jaarlijks door de Belastingdienst Particulieren/Q in overleg met de CV voor alle vennoten bindend vastgesteld, waarbij voor iedere vennoot hetzelfde stelsel van winstbepaling zal worden toegepast. Ditzelfde geldt voor de waardering voor de vermogensbelasting.

5. Indien de CV en de Belastingdienst Particulieren/Q het niet eens kunnen worden over een fiscale winstvaststelling en overige consequenties van de participaties in de CV voor de commanditaire vennoten, zal een proefprocedure voor één van de commanditaire vennoten gestart worden. Alle partijen zullen zich inspannen om zo snel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen.

(...)

11. In het aanmeldingsformulier wordt onderstaande tekst opgenomen: "de ondergetekende verklaart ermee bekend te zijn dat er afspraken over de fiscale behandeling van zijn/haar commanditaire deelname zijn gemaakt met de Belastingdienst Particulieren/Q die ook voor hem/haar bindend zijn. Door ondertekening van dit formulier verklaart ondergetekende, voor zoveel nodig, zich hiermee akkoord.

3.1.4. De CV heeft met E B.V. (hierna: de BV) een productieovereenkomst gesloten op basis waarvan de BV in opdracht en voor rekening en risico van de CV de film C zou produceren. De BV heeft uitgaven gedaan met het oog op de productie van de film. Op 25 juli 2001 is de BV in staat van faillissement verklaard. De CV is op 31 december 2002 beëindigd en ontbonden.

3.1.5. De toenmalige gemachtigde van de CV heeft de door de CV aangegane verplichtingen berekend op ƒ 106.634.511, hetgeen zou moeten resulteren in een investeringsaftrek van ƒ 7677 per participatie. De inspecteur Q heeft de verplichtingen berekend op ƒ 37.755.962, resulterend in een investeringsaftrek van ƒ 2719 per participatie. Dit heeft hij vastgelegd in de "Fiscale jaaropgave 2000" van 5 juli 2001 (hierna: de jaaropgave 2000), waarin de investeringsaftrek per participatie werd vastgesteld op ƒ 2719.

3.1.6. Naar aanleiding van gesprekken tussen de gemachtigde van de CV en de inspecteur Q heeft laatstgenoemde op 2 november 2001 die gemachtigde als volgt geïnformeerd:

(...) leg ik hierbij de afspraken vast die wij hebben gemaakt inzake de afhandeling van de jaaropgaven 2000 en 2001 van F CV.

1. De jaaropgave 2000 zoals die is afgegeven op 5 juli 2001 (...) is definitief en zal niet meer worden gewijzigd.

2. De in de brief van de Belastingdienst d.d. 5 juli 2001 gemaakte rekenfout (...) zal worden hersteld door verwerking in de jaaropgave 2001. Omdat het een correctie is die het jaar 2000 betreft zal bij de verwerking in de jaaropgave 2001 rekening worden gehouden met het tarief 2000. (...)

3. Bij de behandeling van de jaarstukken 2001 zal worden onderzocht of in 2000 meer investeringen zijn gedaan (meer verplichtingen aangegaan) dan waarmee rekening is gehouden in de jaaropgave 2000. Een eventueel hoger bedrag aan investeringen 2000 zal op dezelfde wijze worden verwerkt in de jaaropgave 2001 als bij punt 2 aangegeven voor de rekenfout.

4. Bij het onder punt 3 vermelde onderzoek naar de investeringen 2000 en het doorvoeren van de correctie van de gemaakte rekenfout zal de Belastingdienst tevens in haar oordeel betrekken in hoeverre op 31 december 2000 redelijkerwijze viel aan te nemen dat aangegane verplichtingen ook daadwerkelijk tot uitgaven zouden leiden. Hierbij behoudt de Belastingdienst zich het recht voor van interne compensatie.

De gemachtigde van de CV heeft zich bij brief van 14 november 2001 akkoord verklaard met deze afspraken.

3.1.7. De inspecteur Q heeft op 26 maart 2003 in de jaaropgave 2001 het bedrag van de investeringsaftrek ("rekenfout 2000") bepaald op € 219 en het bedrag van de desinvesteringsbijtelling op € 709. Op 17 juni 2004 heeft de inspecteur Q een gecorrigeerde jaaropgave 2001 opgemaakt waarin enkel een investeringsaftrek is opgenomen ten bedrage van € 219.

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ten laste van zijn winst van het jaar 2001 een hoger bedrag aan op het jaar 2000 betrekking hebbende investeringsaftrek kan brengen dan het hiervoor onder 3.1.7 vermelde bedrag van € 219.

Het Hof heeft geoordeeld dat de toezegging in de hiervoor onder 3.1.6 vermelde brief van 2 november 2001 dat bij beoordeling van de jaarstukken over 2001 mogelijk rekening zou worden gehouden met een hoger bedrag aan investeringen, niet ertoe kan leiden dat enig geschil over de omvang van de investeringen in 2000 door de belastingrechter beoordeeld kan worden in het kader van de toetsing van de aanslag over het jaar 2001. Het staat partijen immers niet vrij enig geschil aan de belastingrechter voor te leggen zonder wettelijke grondslag, en het staat hun evenmin vrij enig geschil naar believen te verplaatsen naar een jaar waarop het geschil geen betrekking heeft. De toepassing van het vertrouwensbeginsel leidt in dit geval niet tot een ander oordeel, omdat niet het vertrouwen is gewekt dat met een bepaald bedrag aan investeringsaftrek rekening zou worden gehouden bij het vaststellen van de jaaropgave 2001, aldus nog steeds het Hof.

3.3. De hiervoor onder 3.1.6 vermelde brief, gelezen in samenhang met de hiervoor onder 3.1.2 weergegeven bepalingen van de WVO, laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat enerzijds namens en ten behoeve van de commanditaire vennoten van de CV en anderzijds namens de rijksbelastingdienst is overeengekomen dat bij de belastingheffing van de commanditaire vennoten over 2001 rekening zal worden gehouden met investeringen over de omvang waarvan bij de afgifte van de jaaropgave 2000 tussen partijen onzekerheid bestond. Daarin ligt besloten een overeenkomst om eventuele niet in die jaaropgave verdisconteerde investeringen te beschouwen als in 2001 gedaan. Van die overeenkomst kan niet worden gezegd dat zij zo zeer in strijd is met hetgeen de wet - over het geheel bezien - te dier zake bepaalt, dat de belanghebbende op nakoming daarvan niet mocht rekenen (vgl. HR 9 december 2005, nr. 41117, BNB 2006/201). Dit brengt mee dat het Hof de beoordeling van de omvang van de investeringen waaromtrent voormelde onzekerheid bestond, niet mocht plaatsen buiten het geschil dat aan hem was voorgelegd ter zake van de aanslag voor 2001. Voor zover de middelen een hierop gerichte klacht bevatten, treffen zij derhalve doel.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven verder geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2008.