Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:AZ0890

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
43083
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:AZ0890
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AV1218, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aftrek van deelnemingskosten in strijd EG-verdrag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2008/118
BNB 2008/135 met annotatie van G.Th.K. Meussen
Belastingadvies 2008/5.7
V-N 2008/9.16 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0271 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.083

8 februari 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 februari 2006, nr. P04/04448, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot één naar een belastbaar bedrag van f 56.509.901.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar bedrag van f 56.232.197. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 september 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep en ongegrondverklaring van het incidentele beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. Belanghebbende hield in 1997 de volgende deelnemingen:

1. 99,9 percent van de aandelen in E S.A, gevestigd in Luxemburg;

2. 6,37 percent van de aandelen in F S.A, gevestigd in Spanje;

3. 100 percent van de aandelen in G Holding S.L., gevestigd in Spanje; via deze deelneming betrof het belang in F S.A. een meerderheidsbelang;

4. 100 percent van de aandelen in H S.A., gevestigd in Zwitserland.

3.2. De hiervoor vermelde vennootschappen hadden meerderheidsdeelnemingen in (klein)dochtermaatschap-pijen die waren gevestigd in landen die geen deel uitmaken van de Europese Gemeenschap of de Europese Economische Ruimte (hierna: derde landen).

Van de door belanghebbende in het onderhavige jaar gemaakte kosten in verband met deelnemingen was een bedrag van in totaal f 336.305 dienstbaar aan het behalen van winst door laatstbedoelde (klein)dochtermaatschappijen.

De Inspecteur heeft op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1997; hierna: de Wet) tot evenvermeld bedrag die kosten niet in aftrek toegelaten.

4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de kostenaftrekbeperking van artikel 13, lid 1, van de Wet door de Inspecteur in strijd met de artikelen 43 en 56 EG is toegepast op dat deel van de kosten, groot f 277.704, dat verband houdt met de hiervoor in 3.1 onder 1 tot en met 3 vermelde deelnemingen. Volgens het Hof zijn de kosten die toerekenbaar zijn aan de winst van de door deze deelnemingen gehouden vennootschappen tevens te relateren aan de winst van die deelnemingen zelf, en houdt de toegepaste kostenaftrekbeperking aldus een beperking in van de aan belanghebbende op grond van het EG-Verdrag toekomende vrijheid van vestiging dan wel vrijheid van kapitaalverkeer ter zake van het hebben van deelnemingen in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap dan waarin zij is gevestigd.

4.2. Het middel betoogt dat geen sprake is van een beperking in de door het Hof aangenomen zin, aangezien het voor de toepassing van artikel 13, lid 1, van de Wet ten aanzien van een in Nederland gevestigde vennootschap geen verschil maakt of in derde landen gevestigde (klein)dochtermaatschappijen worden gehouden door een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van belanghebbende dan wel door een in een andere EG-lidstaat gevestigde dochtervennootschap van belanghebbende.

4.3. Het middel slaagt. De in geding zijnde kostenaftrekbeperking vormt voor belanghebbende een nadeel. Echter, noch dat nadeel als zodanig noch de kans dat of de mate waarin het zich voordoet, is afhankelijk van de plaats van vestiging van de deelnemingen door middel waarvan belanghebbende een belang houdt in de vennootschappen in derde landen, waaraan de onderhavige kosten kunnen worden toegerekend. Derhalve kan de omstandigheid dat die kosten bij belanghebbende niet in aftrek worden toegestaan, geen ontmoedigende factor vormen voor de beslissing om een deelneming te vestigen of aan te houden in een andere EG-lidstaat dan Nederland. Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, levert in het onderhavige geval de omstreden kostenaftrekbeperking, anders dan het Hof heeft geoordeeld, dan ook geen beperking op van de vrijheid van vestiging of vrijheid van kapitaalverkeer binnen de Europese Gemeenschap.

5. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Gelet op het hiervoor in 4.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

7. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het principale beroep van de Staatssecretaris gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2008.

De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door mr. P.J. van Amersfoort.