Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:AT4927

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
40553
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:AT4927
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Trefwoorden:- Art. 29, lid 1, letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968;

- Door de leverancier verleende vermindering van de vergoeding?

- Naheffing in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/126 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
V-N 2008/10.21 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.553

8 februari 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 januari 2004, nr. BK-02/04107, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 125.311 aan enkelvoudige belasting met een verhoging van de nageheven belasting van honderd procent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijfentwintig percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de boete vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Op 31 maart 2005 heeft de Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. In de jaren 1992 tot en met 1995 heeft belanghebbende - die zich bezig houdt met de productie, verkoop en installatie van tandheelkundige inrichtingen en tandheelkundig verbruiksmateriaal - op basis van langlopende contracten medische apparatuur (hierna: de apparatuur) verkocht en geleverd aan a-ziekenhuis te Q (hierna: a-ziekenhuis). Belanghebbende heeft de ter zake daarvan verschuldigde omzetbelasting op aangifte voldaan.

3.1.2. In de loop van 1995 heeft a-ziekenhuis met A B.V. te R (hierna: A) afspraken gemaakt met het doel te komen tot verruiming van de liquiditeitspositie van a-ziekenhuis. Hiertoe zou de opzet van de tot dan toe bij de aanschaf van de apparatuur gehanteerde financieringsvorm worden gewijzigd. Daarbij werd de medewerking van belanghebbende nodig geacht, in verband met de aansprakelijkheid en de onderhouds- en garantieverplichtingen met betrekking tot reeds geleverde apparatuur. Met het oog hierop werd belanghebbende benaderd om te komen tot wijziging en overname door A van de tussen belanghebbende en a-ziekenhuis gesloten leveringscontracten.

3.1.3. Belanghebbende heeft bewilligd in de aanpassingen van de contracten. Deze hielden onder meer in dat niet a-ziekenhuis maar A werd aangemerkt als de afnemer van de apparatuur. Met het oog hierop heeft belanghebbende aan a-ziekenhuis een bescheid uitgereikt vermeldende (voor zover van belang):

"In verband met het overhevelen van uw opdrachten naar A b.v., crediteren wij u voor hetvolgendebedrag f. 716.065,51".

Blijkens dit bescheid is vervolgens over het zojuist vermelde bedrag 17,5 percent "btw" berekend, waardoor het "factuurtotaal" uitkwam op ƒ 841.376,97.

Dit laatste bedrag heeft belanghebbende in december 1995 aan a-ziekenhuis betaald. Voorts heeft zij aan A een bescheid uitgereikt waarin een gelijk bedrag (inclusief BTW) in rekening werd gebracht onder vermelding van:

"In verband met levering en ingebruikstelling van diverse medische apparatuur t.b.v. a-ziekenhuis, conform onderstaande opdrachtnummers, belasten wij u voor het volgende bedrag (...)".

A heeft dit bedrag aan belanghebbende betaald. Belanghebbende heeft A bij de verdere contractafhandeling als de afnemer van de apparatuur aangemerkt.

3.1.4. Het voorgaande is in de administratie van belanghebbende verwerkt en heeft geleid tot een bij haar aangifte omzetbelasting in aftrek gebracht bedrag van ƒ 125.311, alsmede een gelijk bedrag aan verschuldigde omzetbelasting.

3.1.5. Zich op het standpunt stellend dat belanghebbende ten onrechte voormeld bedrag van ƒ 125.311 in mindering heeft gebracht op de over december 1995 door haar verschuldigde en aangegeven omzetbelasting, heeft de Inspecteur de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

3.2.1. Het Hof heeft afgewezen de door belanghebbende verdedigde stelling dat a-ziekenhuis in het kader van de hiervoor in 3.1.3 bedoelde wijzigingen van de contracten de apparatuur aan belanghebbende heeft geleverd, en geoordeeld dat het hiervoor in 3.1.3 vermelde, aan a-ziekenhuis uitgereikte bescheid niet ziet op door a-ziekenhuis aan belanghebbende geleverde goederen.

3.2.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende - in het bijzonder nu belanghebbende de betaalde bedragen inclusief omzetbelasting door storting op de rekening van a-ziekenhuis, met alle risico's van dien, volledig heeft teruggegeven - wegens een vermindering van de vergoeding tot nihil op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) recht heeft op teruggaaf van een bedrag aan omzetbelasting ter grootte van het nageheven bedrag en dat zij dit bedrag terecht in de aangifte in mindering heeft gebracht op de door haar verschuldigde belasting. Tegen dit oordeel richt zich middel 1.

3.3. De hiervoor in 3.1.2 en 3.1.3 vermelde feiten en 's Hofs vaststelling - in cassatie onbestreden - dat a-ziekenhuis de apparatuur niet heeft geleverd aan belanghebbende laten geen andere conclusie toe dan dat de drie betrokken partijen (a-ziekenhuis, belanghebbende en A) niet hebben beoogd de eerder voor de geleverde apparatuur door belanghebbende bedongen vergoeding te verminderen tot nihil. Dat geen vermindering van de vergoeding tot nihil is beoogd en ook niet is verleend, vindt zijn bevestiging daarin dat in het kader van de wijziging van de contracten A een bedrag aan belanghebbende heeft betaald dat overeenkwam met de door belanghebbende aan a-ziekenhuis terugbetaalde prijs. Het Hof heeft mitsdien artikel 29, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet ten onrechte van toepassing geacht. Middel 1 is derhalve gegrond.

3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het bedrag aan omzetbelasting vermeld op het in 3.1.3 vermelde bescheid, als belasting in de zin van artikel 37 van de Wet heeft te gelden. Het Hof heeft in dat verband tevens geoordeeld dat de Inspecteur door het opleggen van de naheffingsaanslag voor vorenbedoeld bedrag aan omzetbelasting ten name van belanghebbende in strijd met de regels van goed bestuur heeft gehandeld, en dat voor een dergelijk oordeel steun kan worden gevonden in de uitgangspunten van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 23 april 1986, nr. 286-1389, zoals aangevuld en gewijzigd bij resolutie van 28 april 2003, nr. DGB 2003/2121M, V-N 2003/25.15 (hierna: de Resolutie).

3.5. Middel 2 richt zich tegen de in 3.4 weergegeven oordelen. Het middel slaagt.

Vooropgesteld moet worden dat door een ondernemer in aftrek gebrachte omzetbelasting die is vermeld op een bescheid waarbij een als omzetbelasting aangeduid bedrag in rekening wordt gebracht zonder dat op dat bescheid een prestatie wordt vermeld van degene door wie dat bedrag in rekening wordt gebracht en zonder dat een levering of een dienst in de zin van de Wet is verricht, op de voet van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van die ondernemer kan worden nageheven. In een dergelijk geval wordt aan de toepassing van de Resolutie niet toegekomen. Ook anderszins is deze naheffing niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur (vgl. ook HR 6 februari 1991, nr. 25948, BNB 1991/107, en HR 1 maart 2002, nr. 36908, BNB 2002/168). 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding, in het bijzonder de inhoud van het hiervoor in 3.1.3 vermelde, aan a-ziekenhuis uitgereikte bescheid, laten geen andere conclusie toe dan dat in dit geval sprake is van een dergelijke situatie. Het Hof heeft zulks miskend.

3.6. Gelet op hetgeen in 3.3 en 3.5 is overwogen kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het in 3.5 overwogene brengt met zich dat het voor het Hof gedane beroep van belanghebbende op artikel 20, lid 2, slotzin, AWR moet worden verworpen, nu niet ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan belanghebbende te weinig belasting op aangifte zou zijn voldaan.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur, en

vermindert de naheffingsaanslag met het bedrag van de verhoging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2008.