Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB9613

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
R07/030HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB9613
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Te late overlegging financiële bescheiden in alimentatieprocedure; taak rechter bij beoordeling of overlegging stukken toelaatbaar is; art. 22 Rv. en art. 5 lid 5 Uniform Reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 554 met annotatie van H.J. Snijders
JOL 2007, 826
RvdW 2007, 1031
RFR 2008, 26
NJB 2008, 78
FJR 2008, 29 met annotatie van I.J. Pieters
JWB 2007/422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/030HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 12 juli 2004 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, tussen hem en de vrouw echtscheiding uit te spreken.

De vrouw heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zelfstandig verzocht de bijdrage in het levensonderhoud van haar voor de man te bepalen op € 2.500,-- per maand en op € 1.000,-- per maand zolang de vrouw haar salaris ontvangt uit het bedrijf Round Table Research.

De man heeft het verzoek van de vrouw bestreden.

Bij beschikking van 29 december 2004 heeft de rechtbank tussen partijen echtscheiding uitgesproken en de behandeling van de nevenvoorzieningen aangehouden. Bij tussenbeschikking van 27 april 2005 heeft de rechtbank bepaald dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheiding voorlopig als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw € 1.000,-- per maand zal betalen zolang de vrouw nog salaris ontvangt van Round Table Research, en op € 2.140,-- per maand wanneer de vrouw geen inkomsten van Round Table Research of uit enige andere bron genereert. Bij eindbeschikking van 28 december 2005 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de partneralimentatie definitief bepaald op € 1.000,-- per maand zolang de vrouw nog salaris ontvangt van Round Table research, en op € 2.140,-- per maand indien de vrouw geen inkomsten van Round Table Research of uit enige andere bron genereert.

Tegen de eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 16 november 2006 heeft het hof de beschikking waarvan beroep, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de man heeft bij brief van 19 oktober 2007 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Tussen partijen, gehuwd in 1993, is in 2004 echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de man met een bedrag van € 2.140,-- per maand moet bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw. De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij onvoldoende draagkracht heeft om deze bijdrage te voldoen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

3.2 Het hof heeft daartoe overwogen dat de man ingevolge art. 22 Rv., en meer in het bijzonder op grond van art. 5 lid 2 van het Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures, verplicht is financiële bescheiden over te leggen en dat de man zowel niet tijdig als niet volledig aan deze verplichting tot het verstrekken van informatie heeft voldaan. Het hof achtte zich, mede gelet op het feit dat de man in eerste aanleg geen inzicht had verschaft in zijn financiële situatie, niet in staat zich in hoger beroep een oordeel te vormen over de draagkracht van de man.

3.3 In cassatie moet, deels veronderstellenderwijs, van het volgende worden uitgegaan. Het hof heeft de aanvankelijk bepaalde mondelinge behandeling op verzoek van partijen uitgesteld. Partijen hebben vervolgens onderhandeld en de man heeft op 5 september 2006 in verband met deze onderhandelingen uitstel gevraagd van de op 13 september 2006 bepaalde (aangehouden) behandeling. De vrouw heeft op 6 september 2006 met dit verzoek ingestemd. Het hof heeft dit uitstel geweigerd. De man heeft op 8 september 2006 producties ingediend, die op dezelfde dag ter griffie van het hof zijn ontvangen en daarna aan de man zijn teruggestuurd. De man mocht bij de op 13 september 2006 gehouden mondelinge behandeling geen stukken indienen.

3.4 Het uitgangspunt van het hof dat de man gehouden was zijn stellingen met betrekking tot zijn draagkracht voldoende toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien, is juist. De man diende ook ervoor zorg te dragen dat de stukken waarop hij zich ter staving van zijn standpunt wilde beroepen, tijdig bij de wederpartij en het hof werden bezorgd. Het hof heeft daarbij terecht tot uitgangspunt genomen dat de man moest handelen overeenkomstig de voorschriften die zijn neergelegd in het hierna te melden reglement en binnen de daarin bepaalde termijnen.

3.5 Art. 5 lid 5 van het Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures bepaalt, voor zover hier van belang, dat uiterlijk op de zesde werkdag voor de zitting nog stukken mogen worden overgelegd, dat het hof niet zal letten op later aan de partijen en het hof overgelegde stukken, tenzij deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en dat als de wederpartij geen bezwaar heeft, het hof desgewenst toch op latere stukken kan letten. In aanmerking genomen dat het hier een in hoger beroep (de laatste feitelijke instantie) toe te passen bepaling betreft en gelet op wat mede met het oog daarop uit de eisen van een goede procesorde voortvloeit, brengt deze bepaling het volgende mee. Ten aanzien van stukken die na het genoemde tijdstip zijn overgelegd, dient het hof te beoordelen of zij kort en eenvoudig te doorgronden zijn, zonodig na toelichting ter zitting door de partij die ze heeft overgelegd, in welk geval het hof de stukken toelaat, en dient het ten aanzien van de overige stukken - eventueel op de zitting - te onderzoeken of de wederpartij tegen de te late overlegging daarvan geen bezwaar heeft, in welk geval de stukken eveneens toelaat of, indien sprake is van omvangrijke stukken, kan toelaten.

Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof het een of het ander heeft gedaan. Uit de retournering van de producties door de griffie op de dag dat zij bij het hof waren ingekomen, moet integendeel worden afgeleid dat die beoordeling en dat onderzoek niet hebben plaatsgevonden.

De hierop gerichte klachten van het middel treffen daarom doel.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 16 november 2006;

verwijst de zaak naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 december 2007.