Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB8658

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
C06/244HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB8658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Geschil tussen WAM-verzekeraar en slachtoffer kop-staartbotsing – na erkenning aansprakelijkheid verzekerde automobilist – over vergoeding van immateriële schade en gederfde inkomsten c.a. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 863
RvdW 2008, 18
JWB 2007/449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 december 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/244HR

MK/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STAD ROTTERDAM VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Franke,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: E. Grabandt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Stad Rotterdam en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerster] heeft bij exploot van 10 november 2000 Stad Rotterdam gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd, kort gezegd, Stad Rotterdam te veroordelen om aan [verweerster] te vergoeden de schade die [verweerster] als gevolg van het haar op 30 januari 1993 overkomen ongeval heeft opgelopen voor een bedrag van ƒ 438.621,--, met rente en kosten.

Stad Rotterdam heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 26 juli 2001 een comparitie van partijen gelast.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 13 mei 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 26 juli 2001 met verbetering van gronden bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

De rechtbank heeft, na op 8 juni 2004 een comparitie van partijen te hebben gehouden, bij eindvonnis van 23 juni 2004 Stad Rotterdam veroordeeld om aan [verweerster] te betalen het bedrag van € 197.143,--, met rente en kosten waarbij rekening moet worden gehouden met de reeds betaalde voorschotten ad in totaal ƒ 42.500,--, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft Stad Rotterdam hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 14 februari 2006 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 13 mei 2003 en 14 februari 2006 heeft Stad Rotterdam beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van Stad Rotterdam heeft bij brief van 31 oktober 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Stad Rotterdam in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 5.905,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 14 december 2007.