Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB7924

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2007
Datum publicatie
16-11-2007
Zaaknummer
41414
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8593, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vertrouwensbeginsel. Geen sprake van akkoordverklaring door contactinspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/19 met annotatie van E.B. PECHLER
FED 2008/10 met annotatie van J.A. SMIT
V-N 2007/55.4 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.414

16 november 2007

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2004, nr. 98/00825, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 24 september 1990 is op initiatief van een bank (hierna: de bank) een maatschap (hierna: de maatschap) opgericht met het doel vermogen te beleggen in een in dat jaar gereedgekomen en door de maatschap aan te kopen winkelcentrum met bijbehorende appartementen en parkeergarage.

3.1.2. Voorafgaand aan de oprichting van de maatschap heeft de fiscaal adviseur van de bank bij brief van 2 juli 1990 aan een ambtenaar (hierna: de ambtenaar), werkzaam bij de Belastingdienst Particulieren S, instemming gevraagd onder meer met een toe te passen afschrijving op de winkelpanden gedurende vijfentwintig jaren naar een vast percentage van de boekwaarde, op de woningen naar vijftien percent van de bruto huurwaarde, op de installaties lineair in tien jaren en op de inrichting van de winkels lineair in zes jaren. De ambtenaar heeft deze brief op 4 juli 1990 voor akkoord getekend. Belanghebbende heeft van deze instemming kennis gekregen doordat de bank de (potentiële) maten bij het opzetten van de maatschap daarvan op de hoogte heeft gebracht.

3.1.3. Met een betaling van ƒ 1 miljoen heeft belanghebbende vanaf de oprichting van de maatschap daarin voor 1/21ste gedeelte geparticipeerd.

3.2. Voor het Hof was primair in geschil of belanghebbende aan de in 3.1.2 omschreven akkoordverklaring het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de Inspecteur zou instemmen met de in de akkoordverklaring vermelde wijze van afschrijven.

3.3. Middel 1 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende aan de akkoordverklaring van 4 juli 1990 niet het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat de Inspecteur haar aangifte op de omstreden onderdelen zou volgen. Het Hof heeft voor dit oordeel onder meer redengevend geoordeeld dat de ambtenaar niet optrad als contactinspecteur, en dat belanghebbende ook onvoldoende grond had hem daarvoor aan te zien.

3.4. Deze redengeving geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst. Zij is ook niet onbegrijpelijk. Nu voormelde redengeving het oordeel van het Hof zelfstandig kan dragen, faalt het middel. De overige onderdelen van het middel kunnen derhalve buiten behandeling blijven.

3.5. De middelen 2 en 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2007.