Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB7104

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
03619/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB7104
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Besloten erf i.d.z.v art. 138 Sr. 2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. 3. Redelijke termijn. 4. Benadeelde partij. Ad 1. Van een “besloten erf” a.b.i. art. 138 Sr is sprake indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden (HR LJN AB5759). Het erf hoeft niet geheel afgesloten te zijn om als “besloten” aangemerkt te kunnen worden. Ad 2. De bedreiging dient van dien aard te zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (HR LJN AT3659). Ad 3. De redelijke termijn is in de cassatiefase met 4 dagen overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal in geval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken. Ad 4. Aangezien het Hof niet heeft gespecificeerd welk deel van het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag is toegekend t.z.v. feit 1 en feit 4, moet op die vordering, gelet op het voorgaande, opnieuw worden beslist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 138
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 815
RvdW 2008, 36
NJB 2008, 188
NBSTRAF 2008/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

Strafkamer

nr. 03619/06

ABG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 april 2006, nummer 20/008150-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 28 december 2004, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "wederrechterlijk (De Hoge Raad leest: wederrechtelijk) vertoevende in het besloten erf, bij een ander in gebruik, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen" en onder 3 sub a "medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" en 4. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 5. "mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de feiten 1 en 4, de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van straf en maatregelen betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad, op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Ten laste van de verdachte is, voor zover hier van belang, overeenkomstig de tenlastelegging, bewezenverklaard dat:

"1. hij op 27 februari 2002 in de gemeente [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander wederrechtelijk vertoevende in een besloten erf gelegen [a-straat 1] en in gebruik bij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich met zijn mededader niet op de vordering van de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd."

en

"4. hij op 27 februari 2002 in de gemeente [woonplaats] [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, welke bedreiging heeft bestaan in het met een door hem, verdachte, bestuurde auto dreigend op die [benadeelde partij 1] toerijden."

3.2. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte]:

"Op 27 februari 2002 was ik aan de [b-straat] nummer [1] in [woonplaats]. Ik was bezig met mijn auto. Ik zag een flesje parfum over de schutting heenkomen en zag dat het flesje tegen mijn auto aankwam. Ik heb de vrouw die achter de schutting stond aangesproken. Ik wilde de naam en het adres van die vrouw hebben en ben naar haar woning toegelopen. Nadat ik had aangebeld kwam die vrouw in de deuropening. Haar man stond vlak achter haar. Ik hoorde dat hij tegen mij schreeuwde: "Ga van mijn eigendom af". Op dat schreeuwen van die man zag ik dat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) aan kwam lopen. Ik hoorde dat die man in de deuropening weer in mijn richting schreeuwde dat ik op moest rotten. Ik hoorde dat hij ook in de richting van [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) schreeuwde dat hij ook moest oprotten. [Verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) kwam bij me staan. Ik heb een steen van de grond geraapt en deze door het raampje van de voordeur heen gegooid. Als gevolg daarvan is het raampje van de voordeur kapot gegaan."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:

"Op 27 februari (het hof begrijpt: 2002) zag ik dat op ons terrein een parfumflesje lag. Er ligt hier vaak rommel en dan gooi ik het terug naar het woonwagenkamp dat direct naast ons perceel ligt. Er kwam iemand en die zei: "Je gooit wat op mijn auto". Dit was [medeverdachte]. Ik ben toen vertrokken naar huis. Ik heb mijn partner [benadeelde partij 1] op de hoogte gebracht. Er werd aan de voordeur gebeld. Voor de deur stond [medeverdachte]. [Medeverdachte] wilde mijn adres weten. Ik hoorde [benadeelde partij 1] zeggen dat [medeverdachte] weg moest gaan en dat hij niet op zijn erf mocht komen. Ik zei tegen [medeverdachte]: "Ga nu maar weg". Vervolgens kwam [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) aanrijden. Hij stapt uit zijn auto en gaat voor het raam staan. [Benadeelde partij 1] gaat daarna naar buiten op de stoep staan bij de voordeur.

[Benadeelde partij 1] zegt dat iedereen van zijn erf af moet. Ik zie dat ze hier niet aan voldoen. Het gaat om de mannen. Dan komt [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) met een stok aanlopen en slaat het ruitje van de voordeur stuk. Er is nog een steen tegen de voordeur gegooid."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 27 februari 2002 bevond ik mij op het kamp aan de [b-straat] te [woonplaats]. Ik was daar met [medeverdachte]. [Medeverdachte] was aan zijn auto aan het werken, toen ik zag dat een fles tegen zijn auto werd gegooid. Ik zag dat het een parfumfles betrof, die naar ik zag gegooid werd door de buurvrouw, die naast het kamp woont. Ik hoorde dat [medeverdachte] deze vrouw aansprak. Ik zag dat de vrouw wegging. Even later zag ik dat [medeverdachte] naar de woning van de buren liep. Toen [medeverdachte] naar deze woning liep ben ik met mijn busje naar de voorzijde van deze woning gereden en zag en hoorde dat [medeverdachte] met de man van deze buurvrouw aan het schelden was. Ik noem deze man in vervolg van mijn verklaring 'de Amsterdammer'. Ik ben naar de voordeur van 'de Amsterdammer' toegelopen. Ik heb gehoord dat [medeverdachte] een ruit heeft ingegooid van deze woning."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:

"Ik woon aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Ik heb op 27 februari 2002 [medeverdachte] en [verdachte] gesommeerd van het terrein af te gaan en weg te gaan. Mijn vrouw, [benadeelde partij 2], vond op 27 februari 2002 op ons terrein een parfumflesje. Dit flesje heeft ze terug over de schutting gegooid. Kennelijk heeft dit flesje de auto van [medeverdachte] geraakt. [Benadeelde partij 2] heeft daarom met [medeverdachte] gesproken. [Benadeelde partij 2] kwam thuis en vertelde dit tegen mij. Hooguit vijf minuten nadat [benadeelde partij 2] binnen is wordt er aangebeld bij de voordeur. Ik zag de mij bekende [medeverdachte] voor mijn deur staan. [Medeverdachte] begint een verhaal over gegevens uitwisselen met mijn vrouw. Ik begin hierop met de opmerking: "Jij gaat van mijn terrein af". Ik zie dat vanuit de richting van het kampje een bus aan komt rijden. Ik zie dat [verdachte] alleen in die bus zit.

[Medeverdachte] staat voor de deur. Ik zie dat [verdachte] de auto parkeert. Ik zie dat [verdachte] uitstapt en naar mijn voordeur loopt. Ik zie dat [verdachte] op mij afloopt. Ik sommeer hem direct van mijn erf af te gaan, met de woorden: "Ga van mijn terrein af. Ga weg. Je hebt hier niets te zoeken". Ik sommeer hen wederom van mijn terrein af te gaan en bij mij weg te blijven. [Medeverdachte] stond aan de rechterzijde en aan de linkerzijde stond [verdachte] op een afstand van ongeveer anderhalve à twee meter. [Verdachte] was duidelijk de initiatiefnemer en de agressor. Er ontstaat een patstelling.

[Verdachte] loopt weg. Ik zie dat [verdachte] in zijn auto stapt. Ik zie dat [verdachte] met zijn bus op mij afrijdt. Ik bevind mij in de deuropening. Ik kijk naar buiten en zie dat [verdachte] uitstapt en een stok in zijn handen heeft. Ik doe de voordeur dicht. Ik zie [verdachte] richting mijn voordeur lopen. [Verdachte] komt dan bij de voordeur. Ik hoor dat er met een voorwerp tegen de voordeur geslagen wordt. Ik zie, door het raam aan de voorzijde, dat de stok opgeheven wordt. Dit moet door [verdachte] gedaan zijn omdat de tijd te kort is om die stok aan een ander over te geven. Het raam en de voordeur liggen vrijwel direct naast elkaar. Ik hoor dat het ruitje in de voordeur stuk gaat. Ik hoor dat het glas kapot gaat. Er wordt nog een paar keer op de deur geslagen. Dat hoor en zie ik. Ik hoor dat er met een zwaar voorwerp, naar later blijkt een van de keien die voor mijn voordeur liggen, op de voordeur wordt ingebeukt. Ik hoor de voordeur breken."

e. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [benadeelde partij 1]:

"Toen [medeverdachte] bij mij aan de deur kwam, zei hij dat hij nog iets met mijn vrouw moest regelen. Ik had de indruk dat dit ging over de verzekering en de schade aan zijn auto. Dat was echter al door mijn vrouw en [medeverdachte] geregeld.

[Verdachte] kwam er ook aan. Ik heb hen diverse malen gesommeerd mijn terrein te verlaten, maar dat deden zij niet. Op een gegeven moment kwam [verdachte] met zijn bus op mij afgereden. Ik zag dat [verdachte] een stok uit de auto pakte. Hij sloeg daarmee tegen de ruit in de voordeur. Die is daardoor gesneuveld. Het glas van de ruit in de voordeur sprong. [Medeverdachte] heeft toen een kei gepakt en heeft daarmee meerdere keren tegen de deur geslagen. De deur was doormidden."

f. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [benadeelde partij 2]:

"Ik heb op 27 februari 2002 een verklaring afgelegd. Ik heb een flesje parfum dat over de schutting was gegooid, teruggegooid. Ik kreeg een kwaaie [medeverdachte] aan het hek. Ik heb toen zijn gegevens opgenomen voor de verzekering. Ik ben teruggelopen naar de woning. [Medeverdachte] kwam vervolgens aan de deur. Mijn partner was behoorlijk resoluut en heeft toen gezegd dat [medeverdachte] weg moest gaan. Hij zei letterlijk: "Ga van mijn erf af". [Medeverdachte] heeft dat niet gedaan. Op een gegeven moment kwam [verdachte]. [Verdachte] is naar zijn auto gelopen en is met volle vaart op mijn man in gereden. Ik zag dat [verdachte] uitstapte en een knuppel of stok uit de auto pakte. [Verdachte] is met de stok naar de voordeur gekomen en heeft daarmee de ruit in de voordeur kapot geslagen. Ik zag [verdachte] en [medeverdachte] voor de deur staan en ik hoorde dat er met een hard voorwerp tegen de deur gebeukt werd. De deur barstte."

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel betreft de bewezenverklaring onder 1 en behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich heeft bevonden op een 'besloten erf' als bedoeld in art. 138, eerste lid, Sr.

4.2. De in de tenlastelegging en in de hiervoor onder 3.1 weergegeven bewezenverklaring voorkomende woorden "een besloten erf" zijn daarin klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 138, eerste lid, Sr.

Van een 'besloten erf als bedoeld in dat artikel is sprake indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden (vgl. HR 23 november 1971, LJN AB5759, NJ 1972, 76). Het erf behoeft niet geheel afgesloten te zijn om als 'besloten' aangemerkt te kunnen worden.

4.3. Uit de inhoud van de hiervoor onder 3.2 weergegeven bewijsmiddelen waarop onder meer de bewezenverklaring onder 1 steunt, kan niet worden afgeleid dat het terrein bij de voordeur, waarop de verdachte zich bevond ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde, kenbaar was afgescheiden van de omgeving en dat aldus het voor de verdachte duidelijk was dat hij zich bevond op een besloten erf. De bewezenverklaring onder 1 is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.4. Het middel is terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt dat de onder 4 bewezenverklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

5.2. De bedoelde bewezenverklaring en de inhoud van de daartoe gebezigde bewijsmiddelen zijn weergegeven onder 3.1 en 3.2.

5.3.1. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is - voorzover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448).

5.3.2. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte met de door hem bestuurde auto op dreigende wijze op [benadeelde partij 1] is toegereden. Het Hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen klaarblijkelijk afgeleid dat het rijgedrag van de verdachte bij [benadeelde partij 1] de redelijke vrees heeft kunnen doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen onvoldoende steun bieden voor 's Hofs oordeel dat het rijgedrag van de verdachte de bedoelde vrees heeft gewekt.

5.4. Het middel is terecht voorgesteld.

6. Beoordeling van het zesde middel

6.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

6.2. De verdachte heeft op 24 april 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 28 december 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal in geval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken.

7. Beoordeling van het tweede en het vijfde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

8. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het vierde middel geen bespreking behoeft - nu, gelet op het slagen van het eerste en het derde middel, opnieuw moet worden beslist op de vordering van de benadeelde partijen, aangezien het Hof niet heeft gespecificeerd welk deel van het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag is toegekend ter zake van feit 1 en feit 4 - en dat als volgt moet worden beslist.

9. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en onder 4 tenlastegelegde, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partijen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 4 december 2007.

Mr. Corstens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.