Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB7088

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
02971/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB7088
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Appelschriftuur ex art 410 Sv. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 410 Sv een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in 1e aanleg dient te bevatten. Nadere materiële eisen waaraan die schriftuur dient te voldoen, worden in die bepaling niet gesteld. In een geval waarin in het desbetreffende geschrift niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel een opgave van een of meer getuigen of deskundigen wordt gedaan, zal de rechter o.g.v. die opgave mogen aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat (HR LJN AZ1702). Het Hof heeft geoordeeld dat de appelschriftuur zo summier en in dermate algemene bewoordingen is gesteld dat de appelschriftuur redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als een schriftuur i.d.z.v. art 410 Sv. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof had t.a.v. het verzoek van de raadsman de in art. 288.1.c. Sv voorziene maatstaf dienen te hanteren. Door het noodzaakcriterium te hanteren heeft het Hof de verkeerde maatstaf aangelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 410
Wetboek van Strafvordering 418
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 20
JOL 2007, 819
RvdW 2008, 25
NJB 2008, 185
NBSTRAF 2008/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

Strafkamer

nr. 02971/06

LBS/JH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juni 2006, nummer 22/006611-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 11 november 2005 - de verdachte ter zake van "zware mishandeling" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd bij zijn afwijzing van het verzoek tot het horen van de verbalisant [verbalisant 1] als getuige.

3.2.1. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

- een appelschriftuur van 18 november 2005, die inhoudt:

"Op 14 november 2005 is namens cliënt hoger beroep aangetekend tegen het te zijnen laste gewezen vonnis dd. 11 november 2005 van de Rechtbank 's-Gravenhage.

Cliënt is het niet eens met de door de Rechtbank bewezen verklaarde feiten, daar hij deze feiten ontkent. Evenmin is cliënt het eens met de hoogte van de door de Rechtbank aan hem opgelegde straf.

Cliënt wenst als getuigen te doen horen alle personen, die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Hieronder schaart cliënt in ieder geval de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het dossier."

- een brief van de raadsman van de verdachte van 4 mei 2006 aan de Advocaat-Generaal bij het Hof, die onder meer inhoudt:

"Ten vervolge op mijn brief van 18 november 2005, verzoek ik u, EgA Heer/Vrouwe Advocaat-Generaal, (1) verbalisant [verbalisant 2] en (2) verbalisant [verbalisant 1] als getuigen op te roepen voor de terechtzitting van 22 mei a.s.

Toelichting [verbalisant 2]:

[Verbalisant 2] heeft uit de mond van [betrokkene 1] opgetekend dat zij - heel kort samengevat - door cliënt mishandeld is, zie blzz. 19-21 PV, welke verklaring door de PR voor het bewijs is gebruikt. Cliënt ontkent het hem t.l.l.. [Betrokkene 1] verklaart dat op haar ingepraat is en dat de agenten dingen hebben verdraaid en dingen hebben opgeschreven die zij niet heeft verklaard, zie haar verklaring ter terechtzitting van de PR 11/11/2005.

Toelichting [verbalisant 1]:

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat [betrokkene 1] tegen hem verklaard heeft dat zij een duw van cliënt heeft gekregen, waardoor zij ten val was gekomen. Daarbij had zij haar enkel verzwikt. Zie blz. 12 PV. Ofschoon deze verklaring niet door de PR voor het bewijs is gebruikt, is deze verklaring wel belastend voor cliënt. Voor het overige geldt hier dezelfde motivering als bij verbalisant [verbalisant 2]."

- een brief van de Advocaat-Generaal bij het Hof van 9 mei 2006 aan de raadsman van de verdachte, die onder meer inhoudt:

"In antwoord op uw brief van 4 mei jl, waarin u verzoekt twee getuigen op te roepen in bovenstaande zaak, deel ik u mede, dat ik [verbalisant 2] als getuige a decharge zal oproepen.

(...)

De door u als getuige gewenste verbalisant [verbalisant 1] zal ik niet oproepen. De verbalisant [verbalisant 1] heeft de woorden van [betrokkene 1], die zij op de galerij heeft gezegd, aanhoord en genoteerd.

Ik stel mij op het standpunt dat uw cliënt niet wordt geschaad door mijn afwijzing."

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede voornemens te zijn de verschenen getuige [verbalisant 2] te horen. De raadsman merkt op dat hij [betrokkene 1] heeft meegebracht die hij eveneens als getuige wil horen. Voorts deelt hij mede de verbalisant [verbalisant 1] ook als getuige te hebben gevraagd. De voorzitter deelt hem mede dat eerst zal worden overgegaan tot het horen van de verschenen getuigen.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij handhaaft zijn verzoek om de getuige [verbalisant 1] te horen.

(...)

Hij merkt ten aanzien van het te hanteren criterium ten aanzien van de verzochte getuige op dat er een appelschriftuur is ingediend.

De voorzitter merkt op dat zich geen appelschriftuur in het dossier van het hof bevindt. De raadsman deelt mede dat in de door hem ingediende appelschriftuur is verzocht om een ieder die in het dossier voorkomt in ieder geval de verbalisanten als getuigen te horen. Met instemming van de advocaat-generaal zal de raadsman een kopie van de ingediende appelschriftuur na de zitting nog aan het hof doen toekomen. Voorts deelt de raadsman desgevraagd mede er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof zich ten aanzien van de getuige [verbalisant 1] bij arrest zal uitspreken."

3.2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verzoek als volgt afgewezen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij het verzoek d.d. 4 mei 2006 om verbalisant [verbalisant 1] als getuige te horen.

De raadsman heeft dit verzoek ter terechtzitting nader gemotiveerd. Naar het oordeel van de raadsman zal door afwijzing van dit verzoek de verdachte in zijn verdedigingsbelang worden geschaad. De raadsman heeft daarbij tevens gewezen op de door de verdediging ingediende appelschriftuur.

Het hof wijst het verzoek om deze getuige te horen af, nu het daartoe de noodzaak niet ziet, mede gelet op de omstandigheid dat ter terechtzitting in hoger beroep de aangeefster [betrokkene 1] en verbalisant [verbalisant 2] zijn gehoord.

De inhoud van de door de verdediging overgelegde appelschriftuur is naar het oordeel van het hof zo summier en in dermate algemene bewoordingen gesteld, dat deze schriftuur redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als een schriftuur in de zin van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat deze schriftuur werd opgesteld door de raadsman die verdachte in eerste aanleg ook bijstond."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 410 Sv een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg dient te bevatten. Nadere materiële eisen waaraan die schriftuur dient te voldoen, worden in die bepaling niet gesteld.

In een geval waarin in het desbetreffende geschrift niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel een opgave van een of meer getuigen of deskundigen wordt gedaan, zal de rechter op grond van die opgave mogen aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat (vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702).

3.4. In zijn hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overweging heeft het Hof geoordeeld dat de appelschriftuur redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als een schriftuur in de zin van art. 410 Sv. Dit oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 410, derde lid, Sv ziet op een verzoek als hier is gedaan. Om die reden en gelet op het bepaalde in art. 418, eerste lid, Sv, had het Hof de in art. 288, eerste lid sub c, Sv voorziene maatstaf dienen te hanteren. Het vorenoverwogene brengt mee dat het Hof door het noodzaakcriterium te hanteren de verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij zijn beslissing op het verzoek van de raadsman.

3.5. De klacht is derhalve gegrond.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 december 2007.