Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB7086

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
02835/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB7086
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Samenhangende zaak met 02834/06. Art. 359.2 Sv. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.z.v. onbetrouwbaarheid getuigenverklaring. Hetgeen door de raadsman ttz. in hoger beroep is aangevoerd m.b.t. de verklaringen van de getuige kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de ttz. in hoger beroep afgelegde verklaring van de getuige tot bewijs te bezigen, maar heeft – in strijd met art. 359.2 Sv – niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 872
RvdW 2008, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2007

Strafkamer

nr. 02835/06

SM/RR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 april 2006, nummer 21/002149-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 25 april 2005 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] wegens onbetrouwbaarheid niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

3.2. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard:

"dat hij in de periode van 01 mei 2004 tot en met 11 januari 2005 te Beerzerveld, gemeente Ommen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld in een pand, gelegen aan [a-straat] nummer [1] een hoeveelheid van ongeveer veertienhonderd (1400) hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota die - voor zover hier van belang - het volgende inhoudt:

"Alle omstandigheden bij elkaar genomen hebben clienten wellicht de schijn tegen, maar zij stellen zich op het standpunt dat zij er door [betrokkene 1] in zijn geluisd. Alle bewijsmiddelen afzonderlijk bezien, is dit zeer goed mogelijk. Het is lastig, zo niet onmogelijk, voor clienten om aan te tonen dat zij de schuur niet hebben gehuurd, maar het tegendeel heeft [betrokkene 1] op geen enkele wijze weten te onderbouwen. Zo heeft allereerst te gelden dat er geen huurovereenkomst is opgesteld tussen beide partijen waaruit zou kunnen blijken dat er uberhaupt sprake is van verhuur en dan nog wel aan mijn clienten. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat mijn clienten elke maand 1.000 euro aan zijn vrouw betaalden, zo'n zeven maanden lang. Klaarblijkelijk wist zijn vrouw hier in het begin niets van, want zij verklaart letterlijk; "wat we aan huur zouden krijgen weet ik niet, dit is waarschijnlijk later overlegd".

Dat mijn clienten geregeld bij [betrokkene 1] en zijn vrouw over de vloer kwamen, staat buiten kijf (zie ook vonnis onder punt 4). Dit is echter geen omstandigheid die verdacht aandoet. [Medeverdachte 1] heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] leren kennen in de periode dat zijn dochter daar over de vloer kwam. Omdat hij op onregelmatige tijden werkt (als internationaal vrachtwagenchauffeur), heeft hij genoeg tijd om ergens een kopje koffie te drinken en even bij te praten. Ook reed hij soms even langs om wat hout op te halen voor zijn tuinhuis. Voor beide clienten heeft te gelden dat zij geregeld met [betrokkene 1] contact hadden omdat hij een autobedrijf aan huis had. [Medeverdachte 1] heeft een auto van [betrokkene 1] gekocht en een andere weer verkocht en [verdachte] huurde regelmatig bestelbusjes van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] heeft zelfs enige tijd als chauffeur gewerkt voor [verdachte].

Een luchtfoto van [betrokkene 1] waarop de auto's van clienten te zien zijn is dan ook niet redengevend voor het bewijs. Ditzelfde heeft te gelden voor een CIE-pv waarin staat gerelateerd dat er regelmatig auto's op het erf staan.

Voorts is tot het bewijs gerekend een melding van een medewerker van het afvalverwerkingsbedrijf '[A]', dat er hennepafval was gestort en het kenteken van [medeverdachte 1] was geregistreerd (zie vonnis [medeverdachte 1] onder 5). Ik heb vandaag meerdere vraagtekens geplaatst bij de start van het onderzoek en de wijze van relateren door verbalisanten. Indien waarde wordt gehecht aan de verklaring van een onbekend gebleven medewerker van de [A], en men ervan uit gaat dat het clienten waren die dat hennepafval hebben gestort, dan heeft te gelden dat beiden ook nimmer hebben ontkend bij de [A] te zijn geweest. Zij hebben wel vaker afval netjes gestort, niet wetende dat dit hennepafval betrof. Zo heeft [verdachte] bijvoorbeeld verklaard over huis-tuin-en-keuken-afval. Uit het proces-verbaal van 12 februari 2005, wordt mij niet duidelijk hoe het afval is aangetroffen. Was dit verpakt in vuilniszakken, of is dit met blote handen zo op de hoop gegooid?

En als zij wel weet hadden van het soort afval, maken zij zich dan direct schuldig aan overtreding van de Opiumwet zoals tenlastegelegd?

Tot slot verdient de bewegingsmelder, aangetroffen in de schuur, bespreking (zie vonnis [medeverdachte 1] onder 7, 8 en 9 en vonnis [verdachte] onder 5, 6 en 7). In die bewegingsmelder stond het mobiele nummer van [verdachte] als tweede geprogrammeerd en het derde nummer was het mobiele nummer van [medeverdachte 1]. Dit is natuurlijk op z'n minst frappant te noemen.

[Betrokkene 1] heeft niet verklaard wat de afspraak was als de bewegingsmelder iets zou registeren en [betrokkene 1] zelf niet zou opnemen. Dan zou [verdachte] dus worden gebeld. [Verdachte] heeft echter in 2000 een hersenbloeding gekregen, waardoor hij een blijvend beperkt bewegingspatroon heeft. Had hij dan als 'tweede man' aan moeten komen rennen om te redden wat er te redden viel? Nee, hij had niets anders gekund dan de brandweer of de politie bellen. Dus waarom zou zijn mobiele nummer op nummer twee hebben gestaan? Clienten hebben daar ook geen verklaring voor, anders dan, dat zij er stellig van overtuigd zijn dat [betrokkene 1] moedwillig probeert hen de schuld in de schoenen te schuiven.

[Betrokkene 1] heeft echter niet consequent verklaard. Zo doet hij er op 8 februari 2005 nog een schepje bovenop door zich vrijwillig te melden bij de politie omdat, en ik citeer; "ik wil aantonen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de kwekerij in eigendom hadden en onderhielden". Hij verklaart dan dat clienten een afspraak met hem hebben willen maken om hem te vragen zijn verklaring in te trekken. [Betrokkene 1] wilde €50.000,= hebben voordat daar over te praten viel, hetgeen clienten zouden hebben geweigerd. Ik moet dan concluderen dat een dergelijke afspraak nimmer heeft plaatsgevonden.

Gek genoeg meldt hij plotseling dat er toch een dergelijke afspraak is geweest, waarin hem zou zijn gezegd zijn verklaring in te trekken. Dat strookt simpelweg niet met hetgeen hij eerder verklaart. Hij zou toen aan mijn clienten hebben gevraagd om een tegemoetkoming in de kosten van [B]. Over €50.000,= wordt blijkbaar niet meer gerept.

Ook overhandigt [betrokkene 1] drie nota's aan de politie welke hij in de schuur zou hebben gevonden. Diezelfde schuur die even daarvoor zo grondig door de politie was doorzocht, waarbij de oppervlaktes zijn gemeten, alle planten zorgvuldig zijn geteld, alle lampen zijn geteld, enzovoorts. Het is op z'n minst opmerkelijk - zo niet onwaarschijnlijk - dat [betrokkene 1] niet een, maar wel drie nota's in de schuur vindt, welke de politie alle drie over het hoofd zou hebben gezien. En op die nota's staan nou net de namen van mijn clienten vermeld.

Nu weet ik wel dat deze nota's niet voor het bewijs zijn gebruikt, maar de verklaring van [betrokkene 1] wel en ik heb reden om door voormelde omstandigheden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.

(..)

Ik verzoek Uw Hof dan ook clienten vrij te spreken van al het hen tenlastegelegde."

3.4. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2006 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1] tot het bewijs te bezigen, maar heeft - in strijd met art. 359, tweede lid, Sv - niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 december 2007.