Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB7081

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
02722/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB7081
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Dat verdachte het feit heeft begaan wordt niet door de inhoud van enig bewijsmiddel geschraagd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 814
RvdW 2008, 34
NBSTRAF 2008/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

Strafkamer

nr. 02722/06

SM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 oktober 2005, nummer 21/007581-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 22 december 2004 - de verdachte ter zake van "mishandeling" veroordeeld tot een geldboete van honderd euro, subsidiair twee dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Velp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De verdachte heeft op 4 november 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 13 september 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden verwezen zal in geval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 09 augustus 2004 te Rheden, opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer], met kracht tegen diens gezicht heeft geslagen en vervolgens met kracht een zogenaamde elleboogstoot tegen diens borst heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

4.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op maandag 9 augustus 2004 ben ik samen met een aantal vrienden wezen zwemmen in een zwembad in Rheden. Omstreeks 17.00 uur zijn we daar weggegaan. Op de Oranjeweg kwam er plotseling een onbekende aangerend. Onderwijl de man naar ons toe rende riep hij: "Klootzakken, jullie hebben mijn fiets gejat." Ik bleef staan omdat ik me van geen kwaad bewust was. Toen de man bij me was, ik zat op dat moment nog op de fiets, trok hij mij van de fiets. Hierna gaf de man mij met kracht een vuistslag tegen mijn gezicht. Dit deed me pijn. Vervolgens gaf de man mij een harde elleboogstoot tegen mijn borst. Ook dit deed mij pijn. Diezelfde avond ben ik samen met mijn moeder naar de huisartsenpost in Velp gereden, omdat ik last had van mijn borstkas en kaak. De arts constateerde dat ik een aantal gekneusde ribben had en drukpijn op de kaak."

b. een brief van P.H. Onderwater, arts, voor zover inhoudende:

"Op 9 augustus zag ik [slachtoffer] op de huisartsenpost te Velp. Bij onderzoek heeft hij drukpijn op de onderste ribben. Rechts voor en onderste deel van het borstbeen. Ook drukpijn op de kaak links. Er is sprake van kneuzingen ter plaatse en met name kneuzing van de ribben."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op maandag 9 augustus 2004 ben ik met een aantal vrienden gaan zwemmen in het zwembad van Rheden. Toen wij gezwommen hadden zijn [slachtoffer] en ik naar het huis van mijn vader in Rheden gegaan. Wij hebben daar gewacht op [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Vervolgens zijn wij met zijn vieren in de richting van Arnhem gefietst. Op een gegeven moment reden wij op de Oranjeweg te Rheden. Toen kwam er een buitenlandse man aanrennen, de man leek op een Turk. De man zei tegen [betrokkene 2]: "Jij hebt mijn fiets gestolen". [Betrokkene 2] sprong van de gestolen fiets af en rende hard weg. De man bleef bij ons en de door hem teruggevonden fiets staan. [Slachtoffer], [betrokkene 1] en ik bleven staan. Ik zag dat [slachtoffer] toen door de man werd geslagen met de vuist. [Slachtoffer] kreeg klappen van de man op zijn gezicht en borst."

4.4. Aangezien deze bewezenverklaring, voor zover behelzende dat hij, verdachte, het feit heeft begaan niet door de inhoud van enig bewijsmiddel wordt geschraagd, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.5. Het middel slaagt.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 4 december 2007.