Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB6361

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
03453/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB6361
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Strafmotivering. 2. Motivering verbeurdverklaring. Ad 1. Het staat de rechter vrij bij de strafoplegging in aanmerking te nemen hetgeen in redelijkheid is te verwachten m.b.t. het toekomstig gedrag van verdachte (HR LJN AC 9886). Nochtans is ’s Hofs oordeel dat het “in de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat verdachte zich later opnieuw met wapens en opiumwetdelicten zal inlaten” grond ziet voor de oplegging van een zwaardere straf dan door de AG bij het Hof gevorderd, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, en voorts dat het verhandelde ttz. in appel onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de door het Hof bedoelde recidive in redelijkheid te verwachten is. Ad 2. In aanmerking genomen dat is bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, is ‘s Hofs oordeel dat het in het middel bedoelde geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. die feiten is verkregen dan wel tot het begaan van die feiten zijn bestemd, zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 33
Wetboek van Strafrecht 33a
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 630
JOL 2007, 766
RvdW 2007, 1011
NJB 2008, 20
NBSTRAF 2007/444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2007

Strafkamer

nr.03453/06

CAW/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 december 2005, nummer 23/003510-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 8 juni 2005 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer, verbeurdverklaring en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Bewezenverklaring

Het Hof heeft, zakelijk weergegeven, bewezenverklaard dat de verdachte op 11 maart 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander

1. een wapen van categorie II, te weten een micro Uzi en 41 kogelpatronen, kaliber 9 mm Luger, merk Sellier & Bellot en 51 kogelpatronen, kaliber 9 mm, merk Geco voorhanden heeft gehad;

2. opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,02 kg van een materiaal bevattende amfetamine en 87 pillen van een materiaal bevattende MDMA;

3. opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,01 kg van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, hashish, en 27,2 gram hennep.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat 's Hofs motivering om een hogere straf op te leggen dan was geëist, onbegrijpelijk is.

4.2. Ter motivering van de opgelegde straf heeft het Hof - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:

"De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregelen als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door te handelen als onder 1 is bewezen geacht heeft de verdachte een ernstig gevaarzettende situatie doen ontstaan. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Door te handelen als onder 2 en 3 is bewezen geacht, heeft de verdachte - gezien de hoeveelheid aan drugs die in zijn huis is aangetroffen - kennelijk beoogd te handelen in die drugs. Drugs zijn slecht voor de volksgezondheid en bovendien gaat de handel in drugs veelal gepaard met vermogens- en andere criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 oktober 2005 is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In de ernst van de feiten en in de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat verdachte zich later opnieuw met wapens en opiumwetdelicten zal inlaten, ziet het hof grond voor een zwaardere straf dan geëist op te leggen."

4.3. Vooropgesteld moet worden dat het de rechter vrijstaat bij de strafoplegging in aanmerking te nemen hetgeen in redelijkheid is te verwachten met betrekking tot het toekomstig gedrag van de verdachte (vgl. HR 16 juni 1987, LJN AC 9886, NJ 1988, 320). Nochtans is het oordeel van het Hof dat het "in de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat verdachte zich later opnieuw met wapens en opiumwetdelicten zal inlaten" grond ziet voor de oplegging van een zwaardere straf dan door de Advocaat-Generaal bij het Hof was gevorderd, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, en voorts dat het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting en uit de stukken van het geding waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld, onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de door het Hof bedoelde recidive in redelijkheid te verwachten is.

4.4. Het middel is gegrond.

5. Beoordeling van het tweede middel

5.1. Het middel klaagt over 's Hofs motivering van de verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen geldbedrag.

5.2.1. Het Hof heeft verbeurdverklaard de navolgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 62.600,-, een groene tas en een vacuümapparaat.

5.2.2. Het Hof heeft deze verbeurdverklaring als volgt gemotiveerd:

"De (...) inbeslaggenomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien de voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 2 en 3 bewezengeachte zijn verkregen dan wel tot het begaan van het onder 2 en 3 bewezengeachte zijn bestemd."

5.3. In aanmerking genomen dat onder 2 en 3 is bewezenverklaard - zakelijk weergegeven - het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, is het oordeel van het Hof dat het in het middel bedoelde geldbedrag geheel of grotendeels door middel van die feiten is verkregen dan wel tot het begaan van die feiten is bestemd, zonder nadere, doch ontbrekende, motivering niet begrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

6. Beoordeling van het derde middel

6.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

6.2. De verdachte heeft op 14 december 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 13 december 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal die overschrijding bij de strafoplegging dienen te betrekken.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 november 2007.