Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB6187

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
21-12-2007
Zaaknummer
C06/223HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB6187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Loonvordering; geschil over arbeidsongeschiktheid werknemer door ziekte (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 899
RvdW 2008, 69
JAR 2008, 18
JWB 2008/2
JAR 2008/18 met annotatie van Dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 december 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/223HR

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R. Dhalganjansing,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 20 november 2001 [verweerster] op verkorte termijn gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen aan hem te voldoen het loon ad ƒ 3.172,-- bruto per maand, vermeerderd met de vakantietoeslag en de wettelijke verhoging, vanaf 1 april 2001 tot 1 februari 2002.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft, na een deskundigenbericht te hebben bevolen, bij eindvonnis van 7 november 2002 de vorderingen toegewezen.

Tegen het eindvonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Na een tussenarrest van 7 mei 2004 en getuigenverhoren, heeft het hof bij eindarrest van 12 augustus 2005 het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[Eiser] heeft bij exploot van 11 november 2005 aan [verweerster] aangezegd dat hij beroep in cassatie instelt tegen het eindarrest van het hof en [verweerster] gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 16 juni 2006. [Eiser] heeft de zaak abusievelijk niet doen inschrijven ter rolle van 16 juni 2006. Vervolgens heeft [eiser] op 30 juni 2006 een herstelexploot uitgebracht met aanzegging aan [verweerster] om op vrijdag 13 april 2007 te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad.

Hierop heeft [verweerster] bij exploot van anticipatie van 28 juli 2006 aan [eiser] aangezegd de zittingsdatum te willen vervroegen en [eiser] opgeroepen om op 1 september 2006 ter terechtzitting van de Hoge Raad te verschijnen.

Ter terechtzitting van 1 september 2006 heeft mr. H.J.W. Alt zich gesteld voor [verweerster] en een termijn voor conclusie van antwoord gevraagd. [Eiser] is ter terechtzitting van 1 september niet verschenen.

Op 29 september 2006 heeft [verweerster] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Ook bij deze gelegenheid is [eiser] niet verschenen

De zaak is voor [verweerster] op 6 april 2007 schriftelijk toegelicht door haar advocaat. Op 13 april 2007 heeft [verweerster] stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 176,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 december 2007.