Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB5413

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
C06/195HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB5413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geschil tussen uitlener en inlener van werknemers over de verschuldigdheid van in rekening gebrachte kosten voor verrichte werkzaamheden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 711
RvdW 2007, 932
NJB 2007, 2185
JWB 2007/363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 oktober 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/195HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerster] heeft bij exploot van 5 augustus 1998 [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank Breda en gevorderd, kort gezegd, [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 64.757,95, met rente en kosten.

Bij vonnis van 22 september 1998 heeft de rechtbank [eiseres] bij verstek veroordeeld om aan [verweerster] een bedrag van ƒ 60.863,85 te betalen.

Bij exploot van 9 oktober 1998 heeft [eiseres] [verweerster] aangezegd tegen dit vonnis in verzet te komen, haar gedagvaard voor de rechtbank Breda, in conventie gevorderd dat [eiseres] zal worden ontheven van de door de rechtbank uitgesproken veroordeling en in reconventie gevorderd, kort gezegd, primair [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen het bedrag van ƒ 65.060,52, subsidiair, voor het geval de conventionele vordering in stand blijft, [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen het bedrag van ƒ 125.924,37, een en ander met rente en kosten.

De rechtbank heeft, na een aantal tussenvonnissen, bij eindvonnis van 20 november 2001 in conventie het verstekvonnis van de rechtbank van 22 september 1998 vernietigd, en opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen het bedrag van ƒ 96.005,86 en in reconventie de vordering afgewezen.

Tegen de tussenvonnissen en het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Na een tweetal tussenarresten van het hof van 27 januari 2003 en 8 juli 2003 heeft het hof bij eindarrest van 28 februari 2006 het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De tussenarresten en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen deze arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 oktober 2007.