Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB5377

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
02612/06 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB5377
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Besluit dierenvervoer 1994. Richtlijn 91/628/EEG. Klacht in cassatie luidt dat voor vervoer over een afstand van minder dan 50 km geen nationale voorschriften m.b.t. de beladingsdichtheid toepasselijk zijn. Die opvatting is onjuist. Art. 7 Besluit schrijft voor dat het vervoer van de desbetreffende dieren ten minste dient te voldoen aan het bepaalde in de Bijlage bij de Richtlijn. Aldus gelden de in die Bijlage vervatte regels als nationale voorschriften waaraan dat vervoer moet voldoen. Uit art 1.2 van de Richtlijn volgt dat die nationale voorschriften onverminderd van toepassing zijn op het vervoer, ook indien dit betreft vervoer over een afstand van 50 km, of minder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 812
RvdW 2008, 32
NJB 2008, 182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

Strafkamer

nr. 02612/06 E

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 25 april 2006, nummer 20/006224-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 juli 2004 - de verdachte ter zake van 1 en 2 telkens "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 60, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren" veroordeeld tot twee geldboetes, elk van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat op het in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde vervoer van de varkens de beladingsnorm van art. 7, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 in verbinding met art. 3, eerste lid onder a, van de Richtlijn van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (nader omschreven onder 3.4) en Hoofdstuk VI onder D van de Bijlage bij genoemde Richtlijn van toepassing is en dat overschrijding daarvan een strafbaar feit oplevert.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 4 februari 2003 te Weert, dieren van een soort als bedoeld in artikel 4, eerste lid van het Besluit dierenvervoer 1994, te weten varkens, heeft vervoerd, met een voertuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB], terwijl niet was voldaan aan het ten aanzien van dat soort bepaalde krachtens artikel 7 van bovengenoemd besluit, immers was de beladingsdichtheid tijdens het vervoer voor die varkens -welke voor varkens van ongeveer 100 kg tijdens het vervoer niet hoger mag zijn dan 235 kg/m2 - ongeveer 288 kg/m2, terwijl die varkens gemiddeld zwaarder waren dan 100 kg, waardoor niet werd voldaan aan de minimumeisen dat alle varkens tenminste gelijktijdig konden gaan liggen en in hun natuurlijke houding konden staan."

3.3. De bestreden uitspraak houdt in, voor zover hier van belang:

"Van de zijde van de verdachte is met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat -op de gronden als vermeld in de pleitnota- er geen sprake is van overtreding van de beladingsnorm en van artikel 7, lid 1 van het Besluit dierenvervoer 1994, nu, gelet op artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn 91/628/EEG, deze Richtlijn hier niet van toepassing is.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is in artikel 60 geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld omtrent het vervoer van dieren. In het Besluit dierenvervoer 1994 is in paragraaf 3, artikel 7 de wijze waarop dieren mogen worden vervoerd geregeld, door de eis te stellen dat tenminste wordt voldaan aan het terzake voor de desbetreffende soort bepaalde in de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG.

Op die wijze is hetgeen in genoemde bijlage is opgenomen geïncorporeerd in onze nationale wetgeving.

De bijlage bij genoemde richtlijn vermeldt onder A. Algemene bepalingen, 2. onder a.: De dieren moeten over voldoende ruimte beschikken om in hun natuurlijke houding rechtop te blijven staan en zo nodig moeten zij door hekken tegen de bewegingen van het vervoermiddel worden beschermd. Zij moeten plaats hebben om te gaan liggen tenzij dit om speciale redenen in verband met de bescherming van de dieren ongewenst is.

In genoemde Richtlijn zelf is onder Algemene Bepalingen art. 1, onder 2, b) opgenomen dat - onverminderd de ter zake toepasselijke nationale voorschriften - de Richtlijn niet van toepassing is op vervoer van dieren over een afstand van maximaal 50 km, gerekend vanaf het begin van het vervoer van de dieren tot de plaats van bestemming.

Waar wordt aangegeven dat zulks onverminderd de ter zake toepasselijke nationale voorschriften geldt, blijft voor de vervoerder hetgeen in het Besluit dierenvervoer 1994, met verwijzing naar genoemde bijlage, is geregeld onverminderd van kracht."

3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

Art. 1 van Richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de Richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG (Pb 1991 L 340), welke Richtlijn onder meer is gewijzigd bij Richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995 (Pb 1995 L 148) - hierna: de Richtlijn -, voor zover inhoudende:

"1. Deze richtlijn is van toepassing op het vervoer van:

a) als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens;

(...)

2. Deze richtlijn is niet van toepassing:

a) (...)

b) onverminderd de ter zake toepasselijke nationale voorschriften, op vervoer van dieren:

- over een afstand van maximaal 50 km gerekend vanaf het begin van het vervoer van de dieren tot de plaats van bestemming (...)."

Art. 3, eerste lid, van de Richtlijn, voor zover inhoudende:

"1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

a) het vervoer van dieren binnen, van en naar een Lid-Staat gebeurt overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in:

- hoofdstuk I van de bijlage, voor dieren als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a);

(...)

a bis) - de ruimte (beladingsdichtheid) waarover de dieren beschikken ten minste voldoet aan de in hoofdstuk VI van de bijlage vastgestelde minima ten aanzien van de in dat hoofdstuk bedoelde dieren en vervoermiddelen, (...)."

Hoofdstuk I van de in art. 3 van de Richtlijn bedoelde bijlage (hierna: de Bijlage), voor zover inhoudende:

"A. Algemene bepalingen

(...)

2. a) De dieren moeten over voldoende ruimte beschikken om in hun natuurlijke houding rechtop te blijven staan en zo nodig moeten zij door hekken tegen de bewegingen van het vervoermiddel worden beschermd. Zij moeten plaats hebben om te gaan liggen, tenzij dit om speciale redenen in verband met de bescherming van de dieren ongewenst is.

(...)"

Hoofdstuk VI van de Bijlage, voor zover inhoudende:

"D) VARKENS

Vervoer per spoor en over de weg

Alle varkens moeten ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan.

Om aan deze minimumeisen te voldoen mag de beladingsdichtheid voor varkens van ongeveer 100 kg tijdens het vervoer niet hoger zijn dan 235 kg/m².

(...)"

Art. 60 (oud) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren - welke bepaling, die met ingang van 5 januari 2007 is vervallen, hier van toepassing is -, voor zover inhoudende:

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent het vervoer van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren.

2. De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. de vervoermiddelen die ten behoeve van het vervoeren van dieren worden gebruikt of daartoe kennelijk bestemd zijn, alsook hun uitrusting en inrichting;

(...)

c. de beladingsdichtheid van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a;

(...)."

De in art. 60, eerste lid (oud), Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bedoelde algemene maatregel van bestuur is het hier toepasselijke, met ingang van 5 januari 2007 vervallen, Besluit dierenvervoer 1994 (Stb. 1994, 806) - hierna: het Besluit.

Art. 7 van het Besluit luidt:

"1. Het vervoer van de onderscheiden soorten en categorieën van dieren, de belading, de reis- en rusttijden en de tussenpozen voor het voederen en drenken voldoen ten minste aan het terzake voor de desbetreffende soort of categorie bepaalde in de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG, onverminderd verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEG L 370).

2. Onze Minister wordt aangewezen als bevoegd gezag als bedoeld in de in het eerste lid bedoelde bijlage.

3. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde bijlage treedt voor de toepassing van het eerste lid in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.

4. Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van een wijziging als bedoeld in het derde lid alsmede van het tijdstip waarop de wijziging in werking treedt.

5. Onze Minister kan ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde vervoer nadere regelen stellen ter zake van de vervoermiddelen, de beladingsdichtheid, de inrichting van de halteplaatsen en de behandeling van de dieren aldaar, alsmede de omstandigheden waaronder en de wijze waarop het vervoer dient plaats te vinden."

3.5. De Richtlijn is, behoudens de uitzonderingen genoemd in het tweede lid van art. 1, van toepassing op het vervoer binnen de Lid-staten van de in de Richtlijn genoemde categorieën van dieren - waaronder varkens - en strekt ter bescherming van de dieren tijdens het vervoer. In art. 3 van de Richtlijn wordt aan de Lid-staten de verplichting opgelegd om ervoor zorg te dragen dat het vervoer van de dieren plaatsvindt overeenkomstig de voorschriften neergelegd in de Richtlijn en de Bijlage. In art. 1, tweede lid, van de Richtlijn is bepaald dat deze niet van toepassing is op vervoer van dieren over een afstand van maximaal 50 kilometer gerekend van het begin van het vervoer van de dieren tot de plaats van bestemming, tenzij terzake nationale voorschriften van toepassing zijn. De Bijlage bij de Richtlijn houdt onder meer in dat de beladingsdichtheid voor varkens van ongeveer 100 kg tijdens het vervoer niet hoger mag zijn dan 235 kg/m².

3.6. Het middel, waarin wordt uitgegaan van de stelling van de verdachte dat het onderhavige vervoer over een afstand van minder dan 50 km plaatsvond, berust op de opvatting dat op het onderhavige vervoer van de varkens geen nationale voorschriften met betrekking tot de beladingsdichtheid toepasselijk zijn, nu art. 7 van het Besluit verwijst naar de Richtlijn en ingevolge het tweede lid van art. 1 van de Richtlijn, die Richtlijn en de Bijlage niet van toepassing zijn op transporten over een afstand van 50 km of minder.

Die opvatting is onjuist. Art. 7, eerste lid, van het Besluit schrijft voor, kort gezegd, dat het vervoer van de desbetreffende dieren ten minste dient te voldoen aan het bepaalde in de Bijlage bij de Richtlijn. Aldus gelden de in die Bijlage vervatte regels als nationale voorschriften waaraan dat vervoer moet voldoen. Uit art. 1, tweede lid, van de Richtlijn volgt dat die nationale voorschriften onverminderd van toepassing zijn op het vervoer, ook indien dit betreft vervoer over een afstand van 50 km of minder.

Derhalve is 's Hofs oordeel, dat in het onderhavige geval hetgeen in het Besluit dierenvervoer 1994, met verwijzing naar genoemde Bijlage, is geregeld onverminderd van kracht is, juist.

3.7. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 4 december 2007.