Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB5172

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
C06/086HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB5172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Afgewezen schadevordering van automobilist na aanrijding met tractor; causaal verband tussen ongeval en verlies arbeidsvermogen?; volgen door rechter van (voorlopig) deskundigenbericht, bezwaren partijen, stelplicht; smartengeld, schadebegroting, rechtsstrijd van partijen, taak appelrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 685
RvdW 2007, 887
RAV 2007, 60
NJB 2007, 2139
JWB 2007/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 oktober 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/086HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats], België,

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Interpolis c.s. dan wel afzonderlijk als [verweerder 1] en Interpolis.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploten van 1 en 6 juli 1999 Interpolis c.s. gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd, kort gezegd, Interpolis c.s. hoofdelijk te veroordelen aan hem een bedrag van ƒ 1.500.000,-- te betalen, met rente en kosten.

Interpolis c.s. hebben de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen aan Interpolis een bedrag van ƒ 350.000,-- met rente terug te betalen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 maart 2002, verbeterd bij vonnis van 9 april 2002, in conventie en in reconventie, de vorderingen afgewezen.

Tegen de vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 24 november 2005 heeft het hof het vonnis van 12 maart 2002, zoals verbeterd bij vonnis van 9 april 2002, bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Interpolis c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Interpolis c.s. mede door mr. F.M. Ruitenbeek-Bart, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt:

- in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof, met afdoening van de onderdelen 1 t/m 8 op de voet van art. 81RO;

- in het voorwaardelijk incidentele beroep tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 16 mei 1988 gewond geraakt door een aanrijding tussen hem als bestuurder van een personenauto en [verweerder 1] als bestuurder van een tractor met aanhangwagen.

(ii) [Verweerder 1] was bij Interpolis verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid.

(iii) Interpolis heeft erkend dat zij in haar hoedanigheid van WAM-assuradeur van [verweerder 1] aansprakelijk is voor de als gevolg van de aanrijding door [eiser] geleden schade.

(iv) Interpolis heeft [eiser] ter zake van de door hem geleden schade, die voornamelijk bestaat uit het verlies van arbeidsinkomen, in de jaren 1988 tot en met 1991 in totaal een bedrag van ƒ 357.000,-- betaald.

(v) Naar aanleiding van medische klachten waarvan [eiser] enkele jaren na het ongeluk melding maakte en die volgens hem het gevolg waren van het ongeval is [eiser] in de maand maart 1992 op verzoek van Interpolis door de orthopedisch chirurg [betrokkene 1] onderzocht. Nadien heeft in augustus 1992 een onderzoek door de neuroloog [betrokkene 2] plaatsgevonden. Tussen partijen bestond destijds consensus over de benoeming van de beide specialisten die deze onderzoeken hebben uitgevoerd en over de aan hen voorgelegde vragen.

(vi) Op verzoek van [eiser] heeft vervolgens een andere neuroloog, [betrokkene 3], een "second opinion" over diens medische toestand gegeven. Op instigatie van [betrokkene 3] heeft nog een neuropsychologisch onderzoek en een MRI-scan plaatsgevonden, waarna een registerarbeidsdeskundige ([betrokkene 4]) op verzoek van [eiser] een onderzoek heeft gedaan naar de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser]. Deze concludeerde in zijn rapport van 26 mei 1993 dat [eiser] arbeidstechnisch als volledig arbeidsongeschikt voor zijn arbeid in zijn (vroegere) onderneming en voor zijn oorspronkelijke beroep als vertegenwoordiger/verkoopleider moet worden beschouwd en dat er geen andersoortige passende arbeid voor [eiser] valt te duiden waarmee hij een inkomen zou kunnen verdienen waardoor hij zijn schade zou kunnen beperken.

3.2 [Eiser] heeft aan zijn hiervoor onder 1 bedoelde vordering ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van de door [verweerder 1] veroorzaakte aanrijding blijvend letsel heeft opgelopen, dat zich nog steeds openbaart door onder meer nek- en hoofdpijnklachten, rugklachten alsmede concentratieproblemen, waardoor hij schade lijdt en zal lijden. Deze schade bestaat uit verlies van arbeidsvermogen, waarvoor vanaf 1992 geen vergoeding meer betaald is, smartengeld, materiële kosten, kosten voor rechtsbijstand en kosten van deskundigen. Het verweer van Interpolis c.s. behelst, onder meer, dat het letsel van [eiser] niet het gevolg is van de aanrijding, maar van een vechtpartij een dag eerder, en dat [eiser] de huidige klachten simuleert, althans dat deze klachten niet zijn te herleiden tot het ongeval van 1988.

3.3 Voorafgaand aan de procedure in eerste aanleg heeft de rechtbank bij beschikkingen van 16 augustus 1994 en 21 juli 1995, telkens op verzoek van [eiser], een voorlopig deskundigenonderzoek bevolen met benoeming van onderscheidenlijk prof. Dr. J.C. Koetsier (hierna: Koetsier) en W.L. van Brunschot (hierna: Van Brunschot) tot deskundige. Koetsier heeft in zijn op 28 november 1994 uitgebrachte rapport geconcludeerd, kort gezegd, tot een blijvende invaliditeit van [eiser] in de zin van functiebeperkingen als gevolg van het ongeval en zonder daarbij rekening te houden met het uitoefenen van het beroep van [eiser], van 8% op de hele mens. Van Brunschot geeft in zijn rapport van 27 november 1996 als zijn visie te kennen, kort gezegd, dat [eiser] voor 27,6% arbeidsongeschikt is voor beroepsuitoefening zoals deze voor de ongevalsdatum werd verricht en dat [eiser] niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke beroep van vertegenwoordiger/verkoopleider, maar nog wel voor een aantal andere, in het rapport genoemde, functies. De kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt acht Van Brunschot, rekening houdend met het aanbod op de arbeidsmarkt en zijn leeftijd, goed.

3.4 De rechtbank is, in het voetspoor van de deskundigen Koetsier en Van Brunschot, tot het oordeel gekomen dat de geconstateerde restverschijnselen van het ongeval [eiser] niet in zijn arbeidsvermogen beperken, zodat zijn vordering tot vergoeding van schade terzake, gerekend vanaf 1992, moet worden afgewezen. Het hof heeft de tegen dit oordeel gerichte grieven van [eiser] verworpen.

3.5 In de onderdelen 1-8 zet [eiser] het debat over de bevindingen van de deskundigen Koetsier en Van Brunschot voort. Deze onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Wat betreft de onderdelen 1-3 en 5-8 behoeft zulks, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de daarin aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6 In rov. 4.10.1 heeft het hof geoordeeld:

"Het deskundigenbericht van Van Brunschot is (....) door [eiser] geïnitieerd. Het ligt dan voor de hand dat de rechter dit deskundigenbericht, dat is uitgebracht door een door de rechter benoemde onafhankelijke deskundige, tot uitgangspunt neemt bij zijn oordeel, tenzij daartegen zwaarwegende bezwaren zijn aangevoerd."

Het hiertegen gerichte onderdeel 4 gaat uit van de, juiste, opvatting dat de rechter, bij beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking dient te nemen en dat hij op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang dient te toetsen of er aanleiding is van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft het hof dat echter niet miskend in zijn hiervoor geciteerde oordeel. In rov. 4.10.1 beoordeelt het hof niet of het het deskundigenbericht van Van Brunschot zal volgen, maar behandelt het [eiser]s in grief II aangevoerde bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een uitvoerig en gefundeerd rapport van de zijde van Van Brunschot, nu dat rapport in de opvatting van [eiser] slechts ten dele ingaat op de op- en aanmerkingen van de raadslieden van de partijen. Bij de verwerping van dat bezwaar heeft het hof met het hiervoor geciteerde oordeel vooropgesteld dat een procespartij die onder overlegging van een bericht dat is uitgebracht in een voorlopig deskundigenonderzoek een vordering instelt, rekening ermee heeft te houden dat hij met deugdelijke argumenten moet komen als hij de rechter ervan wil weerhouden dat deskundigenbericht te volgen. Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag.

3.7 Onderdeel 9 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.16 dat [eiser] ook in hoger beroep het door hem gevorderde smartengeld op geen enkele wijze heeft onderbouwd en aldus niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Het onderdeel acht dit oordeel onbegrijpelijk en voert daarnaast aan dat het hof daarmee, gezien het verweer van Interpolis c.s., buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en/of zijn taak als appelrechter heeft miskend. Deze klachten zijn ongegrond. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat tussen partijen vaststond dat de door Interpolis reeds aan [eiser] betaalde geldbedragen mede (volgens het standpunt van [eiser]: voor een bedrag van ƒ 10.000,--) tot vergoeding van immateriële schade strekten, terwijl Interpolis c.s. het standpunt innamen (memorie van antwoord punt 7.5.2) dat de integrale smartengeldvordering daarmee was voldaan. Het bestreden oordeel van het hof moet aldus worden begrepen dat [eiser] naar het oordeel van het hof geen argumenten heeft aangevoerd die het hof ertoe leiden [eiser]s immateriële schade op een hoger bedrag dan ƒ 10.000,-- te begroten. Dat oordeel berust op een waardering van de feiten en is niet onbegrijpelijk. Gezien het door Interpolis c.s. ingenomen standpunt met betrekking tot [eiser]s smartengeldvordering is het hof met dit oordeel niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft het ook zijn taak als appelrechter niet miskend.

3.8 Nu het principale beroep wordt verworpen, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld niet vervuld, zodat dit beroep geen behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Interpolis c.s. begroot op € 5.905,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 19 oktober 2007.