Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB5075

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
C06/197HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB5075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Specificatie aanbod tot het leveren van aanvullend tegenbewijs in hoger beroep (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 151
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 166
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 831
RvdW 2007, 1051
JWB 2007/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/197HR

RM/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.M. van der Zwan,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

2. [Verweerster 2], h.o.d.n. [A],

beide gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. T. Riyazi.

Eiseres tot cassatie zal hierna worden aangeduid als [eiseres], verweerster in cassatie onder 1 als [verweerster 1], verweerster onder 2 als [verweerster 2].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiseres] heeft bij exploot van 14 januari 2003 [verweerster 1] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, [verweerster 1] te veroordelen tot betaling van de door [eiseres] geleden schade van € 36.141,16, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

[Verweerster 1] heeft de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 19 maart 2003, comparitie van partijen en getuigenverhoren, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 10 september 2003 [verweerster 1] veroordeeld tot betaling van € 36.141,16 met wettelijke rente. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.

Tegen het eindvonnis hebben zowel [verweerster 1] als [verweerster 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 29 maart 2006 heeft het hof [verweerster 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in het incidenteel beroep voorzover gericht tegen [verweerster 1].

Het hof heeft voorts in het principaal beroep het eindvonnis van de rechtbank, voorzover de vordering van [eiseres] was toegewezen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] afgewezen en [eiseres] veroordeeld tot betaling aan [verweersters] van € 39.934,78, vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige heeft het hof het eindvonnis bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster 1] en [verweerster 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep voorzover dat is gericht tegen [verweerster 1] en tot verwerping van het cassatieberoep voorzover dat beroep is gericht tegen [verweerster 2].

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerster 2] begroot op € 1.271,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 december 2007.