Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB4765

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
C06/191HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB4765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verwisseling namen in exploot appeldagvaarding; aan partijaanduidingen te stellen eisen; uitleg exploot; rectificatie onjuiste partijaanduiding, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 10
JOL 2007, 859
RvdW 2008, 7
NJB 2008, 127
JWB 2007/440
AA20080286 met annotatie van H.B. Krans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 december 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/191HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. DOELAND LEMELERVELD B.V.,

2. DOELAND TE KIEFTE HOLDING B.V.,

beide gevestigd te Lemelerveld, gemeente Dalfsen,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Doeland, de Holding en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Doeland heeft bij exploot van 16 februari 2005 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen aan Doeland een bedrag te betalen van € 11.664,65, met rente en kosten.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat Doeland jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst van de eerste keuken en de daaraan verbonden geld-terug-actie, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, en voorts dat Doeland wordt veroordeeld aan [verweerder] een bedrag van € 13.414,35 te betalen.

Doeland heeft de vordering in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 maart 2005 in conventie [verweerder] veroordeeld aan Doeland een bedrag van € 1.454,59 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 december 2001 te betalen en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de Holding hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De Holding heeft verzocht het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 11.664,75, te vermeerderen met rente.

Bij incidentele conclusie tot voeging heeft [verweerder] erop gewezen dat het hoger beroep is ingesteld door een andere vennootschap dan in eerste aanleg is opgetreden.

Bij tussenarrest van 20 december 2005 heeft het hof de Holding in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij bevoegd is hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, gewezen in het geschil tussen [verweerder] en Doeland.

Nadat de Holding een akte uitlating had genomen en [verweerder] daarop bij antwoordakte had gereageerd, heeft het hof bij eindarrest van 28 maart 2006 de Holding niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 maart 2005, gewezen tussen Doeland en [verweerder].

Het tussen- en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Doeland en de Holding hebben tegen beide arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor Doeland en de Holding toegelicht door mr. B. Winters, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en terugwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Hoge Raad verwijst voor een weergave van de in dit geding vaststaande feiten en het procesverloop in de feitelijke instanties naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.14.

3.2 Het middel klaagt dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke gemotiveerde beslissing heeft gegeven door appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. Dienaangaande heeft het hof in zijn tussenarrest als volgt overwogen:

"3 Alvorens kan worden beslist op de incidentele vordering, dient een processuele kwestie te worden opgehelderd. In zijn incidentele conclusie tot voeging heeft [verweerder] erop gewezen dat het hoger beroep is ingesteld door een andere vennootschap (namelijk Doeland Te Kiefte Holding) dan in eerste aanleg is opgetreden (namelijk Doeland Lemelerveld). Nu deze vraag de ontvankelijkheid van het hoger beroep raakt, wordt appellante om proces-economische redenen reeds nu (voordat wordt beslist in het incident en voordat [verweerder] een memorie van antwoord in de hoofdzaak neemt) in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij bevoegd is hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, gewezen in het geschil tussen [verweerder] en Doeland Lemelerveld. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van appellante."

Hierop voortbouwend overwoog het hof in zijn eindarrest als volgt:

"2.2 De omstandigheid dat het hoger beroep is ingesteld door Doeland Te Kiefte Holding BV en niet door Doeland Lemelerveld BV berustte, naar de stellingen van appellante, op een vergissing dan wel een verschrijving. [Verweerder] is door een en ander niet geschaad (hij moet begrepen hebben wie zijn wederpartij was), zodat de vergissing vatbaar is voor herstel, zo betoogt appellante.

2.3 Dit betoog wordt evenwel verworpen. Een rechtsmiddel kan slechts worden ingesteld door een persoon die partij was bij het geding in vorige instantie. Slechts in bijzondere omstandigheden, zoals staatverandering, het ophouden te bestaan (door fusie of door overlijden) of cessie van de litigieuze vordering, is er reden van deze regel af te wijken en te aanvaarden dat het rechtsmiddel wordt aangewend door of tegen een andere partij. Van dit alles is geen sprake in de onderhavige zaak zodat er geen reden is rectificatie van het verzuim toe te staan. Het gaat hier immers evenmin om herstel van een foutieve aanduiding van de - op zichzelf juiste - rechtspersoon, maar om een geheel andere rechtspersoon die hoger beroep heeft ingesteld. Deze vergissing moet voor rekening van appellante blijven.

2.4 Het verweer van appellante dat het voor [verweerder] duidelijk moet zijn geweest wie zijn wederpartij in hoger beroep was faalt. De kenbaarheid van de vergissing zou volgens appellante volgen uit de memorie van grieven, waar is vermeld dat Doeland te Kiefte Holding, eiseres in eerste aanleg, [verweerder] had gedagvaard in eerste aanleg. Daaruit volgt echter nog niet dat het voor [verweerder] duidelijk moet zijn geweest dat het hoger beroep was ingesteld door Doeland Lemelerveld.

In de incidentele conclusie tot voeging maakt [verweerder] melding van het feit dat het appèl is ingesteld door een andere rechtspersoon dan die welke in eerste aanleg zijn wederpartij was en geeft hij te kennen dat hij - in de hoofdzaak - zal concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van appellante. Hieruit kan dus evenmin worden afgeleid dat hij uitging van een kennelijke vergissing aan de zijde van appellante die voor verbetering vatbaar was."

3.3 Bij de beoordeling van het tegen deze arresten gerichte middel dient het volgende tot uitgangspunt.

(a) In eerste aanleg trad Doeland Lemelerveld als eiseres op. Het op 2 maart 2005 uitgesproken eindvonnis van de rechtbank te Zwolle is dan ook gewezen tussen Doeland Lemelerveld en [verweerder].

(b) In het appelexploot is als eiseres vermeld Doeland Te Kiefte Holding B.V. Op bladzijde 2 van het exploot wordt onder het kopje "aangezegd" vermeld "dat mijn requirante in hoger beroep komt tegen het vonnis, door de Rechtbank te Zwolle op 2 maart 2005 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde gewezen".

(c) In het appelexploot is voorts onder het kopje "teneinde" vermeld "dat het het Gerechtshof te Arnhem behage het vonnis op 2 maart 2005 door de Rechtbank te Zwolle tussen partijen gewezen te vernietigen (...)".

(d) In de aanhef van het appelexploot staat vermeld dat appellante "te dezer zake domicilie (kiest ...) ten kantore van de advocaat en procureur Mr. R.J. Leijssen". Laatstgenoemde trad in eerste aanleg op als advocaat voor Doeland Lemelerveld.

(e) De memorie van grieven vermeldt als appellante Doeland Te Kiefte Holding B.V. In deze memorie staat onder 1 vermeld: "Op 16 februari 2004 heeft Doeland Te Kiefte Holding B.V. (...) eiseres in eerste aanleg, [verweerder], gedaagde in eerste aanleg gedagvaard en gevorderd dat (...)".

(f) Vervolgens vorderde [verweerder] bij incidentele conclusie voeging van de zaak met andere voor het hof aanhangige procedures. Bij incidentele conclusie van antwoord refereerde "appellante in de hoofdzaak, thans geïntimeerde in het incident tot voeging" zich aan het oordeel van het hof. In de kop van beide incidentele conclusies werd als appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, vermeld Doeland Te Kiefte Holding B.V. Daarop heeft het hof in zijn tussenarrest ambtshalve aan de orde gesteld welke vennootschap in de hoofdzaak in hoger beroep was gekomen (zie verder hiervoor in 3.2). Bij akte heeft appellante in de hoofdzaak toen de aanduiding van haar identiteit, waarin zij naar zij stelde een kennelijke vergissing had gemaakt, gerectificeerd in Doeland Lemelerveld.

3.4 Beantwoording van de vraag wie als eisende partij optreedt, vergt uitleg van het exploot waarmee de desbetreffende instantie is ingeleid. Ingevolge art. 3:59 BW zijn de artikelen 3:33 en 3:35 BW op deze uitleg overeenkomstig van toepassing (HR 22 oktober 2004, nr. C03/176, NJ 2006, 202). De onderdelen 2 en 3 klagen terecht dat het hof met hetgeen het in rov. 2.3 en 2.4 heeft overwogen hetzij van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven, hetzij zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Het hof heeft van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven indien het heeft miskend dat het een aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW te beantwoorden vraag van uitleg is wie als eisende partij optreedt. Hetzelfde geldt als het hof heeft miskend dat rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij-aanduiding een aanvaardbaar middel is tot herstel van een gemaakte vergissing wanneer het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij (in dit geval [verweerder]) kenbaar was dat van een vergissing sprake was, die wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad, en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden (vgl. HR 4 december 1998, nr. C97/212, NJ 1999, 269). Het hof heeft eveneens van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven indien het dit alles niet heeft miskend, maar van oordeel was dat rectificatie van de aanduiding van de identiteit van appellante onmogelijk is in gevallen waarin abusievelijk de naam van een andere rechtspersoon wordt vermeld dan van degene die klaarblijkelijk bedoelde appel in te stellen. Het hof heeft zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd indien het van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan maar, onder de hiervoor in 3.3 onder (a)-(e) weergegeven omstandigheden, en zonder nadere toelichting, van oordeel was dat het voor [verweerder] niet duidelijk kon of hoefde te zijn dat het hoger beroep was ingesteld door Doeland Lemelerveld.

3.5 De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 28 maart 2006;

verwijst het geding naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Doeland Lemelerveld begroot op € 548,50 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 14 december 2007.