Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB4757

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
21-12-2007
Zaaknummer
R06/138HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB4757
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek tot wijziging alimentatie tussen gewezen echtgenoten; behoedzaam gebruik bevoegdheid (appel)rechter tot wijziging alimentatie met ingang van een vóór de rechterlijke uitspraak gelegen datum; geen mogelijkheid tot aanvulling cassatiemiddel wegens ontbrekend processtuk ten aanzien waarvan in het cassatierekest geen voorbehoud is gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 27
JOL 2007, 880
RvdW 2008, 53
NJB 2008, 285
JWB 2008/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 december 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/138HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. S.H.M. van der Heiden,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. Brandt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij verzoekschrift van 13 januari 2005 heeft de man de rechtbank Rotterdam verzocht haar tussen partijen gegeven beschikking van 15 februari 1999 in die zin te wijzigen dat de daarbij bepaalde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2005 op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag van € 500,-- per maand, althans op een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2005 het verzoek van de man afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft in hoger beroep verzocht de beschikking van de rechtbank van 4 juli 2005 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2005, althans met ingang van 13 januari 2005, tot aan 1 juli 2005 te stellen op € 500,-- per maand en vanaf 1 juli 2005 op € 316,64 per maand.

Bij beschikking van 12 juli 2006 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 15 februari 1999, bepaald dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 € 850,-- per maand bedraagt, en met ingang van 1 juli 2005 € 950,-- per maand.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw bij verzoekschrift van 12 oktober 2006 beroep in cassatie ingesteld. Vervolgens heeft de vrouw op 21 december 2006 een aanvullend verzoekschrift ingediend. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De man heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het beroep en bij aanvullend verweerschrift tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in het aanvullende verzoek tot cassatie.

De vrouw heeft verzocht het beroep op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt

- in het op 12 oktober 2006 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing; en

- in het op 21 december 2006 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen aanvullend cassatieberoep tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in dit beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn van 25 september 1966 tot 7 april 1999 met elkaar gehuwd geweest. Bij de echtscheidingsbeschikking van 15 februari 1999 is bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud moet betalen van ƒ 2.500,-- (€ 1.134,45) per maand. Uit dien hoofde betaalde de man per 1 januari 2005 een bijdrage van € 1.300,-- per maand.

(ii) Bij inleidend verzoekschrift van 13 januari 2005 heeft de man de rechtbank verzocht de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2005, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil te stellen, althans op een bedrag van € 500,-- per maand. Aan dit verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van een wijziging van omstandigheden de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw niet langer kan betalen. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

(iii) Op het hoger beroep van de man heeft het hof bij beschikking van 12 juli 2006 de beschikking van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 15 februari 1999, bepaald dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 € 850,-- per maand bedraagt, en met ingang van 1 juli 2005 € 950,-- per maand.

3.2 Het cassatieberoep van de vrouw is uitsluitend gericht tegen de ingangsdatum van 1 januari 2005 waarop het hof de gewijzigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw heeft laten ingaan. Het hof heeft daaromtrent overwogen (rov. 19-20):

"19. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de ingangsdatum van 1 januari 2005, zodat het hof de draagkracht met ingang van die datum zal beoordelen.

20. Op grond van het vorenstaande - en mede rekening houdend met de leeftijd van de man - acht het hof het redelijk en billijk de alimentatie:

- met ingang van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 vast te stellen op € 850,- per maand; en

- met ingang van 1 juli 2005 vast te stellen op € 950,- per maand;

zodat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd."

Het middel klaagt dat het hof de alimentatie aldus met terugwerkende kracht heeft verlaagd en dat deze beslissing voor de vrouw tot gevolg heeft dat op haar een aanzienlijke terugbetalingsverplichting is komen te rusten. Nu het hof heeft nagelaten in zijn beschikking te motiveren in hoeverre van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud is uitgegeven, heeft het hof deze beslissing volgens het middel niet, althans onvoldoende gemotiveerd.

3.3.1 De vrouw heeft bij aanvullend verzoekschrift - dat op 21 december 2006, derhalve na afloop van de cassatietermijn, ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen - aangevoerd dat zij ten tijde van de indiening van het cassatieverzoekschrift nog niet bekend was met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 20 juni 2005, maar dat zij naar aanleiding van het onderhavige cassatieberoep de stukken die in de bestreden beschikking van het hof worden genoemd en waarover zij niet beschikte, heeft opgevraagd bij het hof en inmiddels heeft ontvangen, waaronder een brief van de advocaat van de man die op 3 november 2005 bij het hof is binnengekomen en die als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank bevatte.

Naar aanleiding hiervan voert de vrouw als aanvullende klacht tegen de beschikking van het hof aan dat de vaststelling van het hof in rov. 19 dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum van 1 januari 2005, onbegrijpelijk is in het licht van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juni 2005 bij de rechtbank, nu daarin vermeld staat dat de (toenmalige) advocaat van de vrouw heeft verzocht "een eventuele wijziging van de alimentatiebijdrage niet met terugwerkende kracht toe te wijzen gezien het consumptieve karakter daarvan."

3.3.2 Nu de vrouw in het verzoekschrift waarmee het cassatieberoep werd ingesteld slechts een voorbehoud heeft gemaakt tot aanvulling of wijziging van haar cassatieklachten in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 3 mei 2006, doch niet in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 20 juni 2005, kan geen acht worden geslagen op de na afloop van de cassatietermijn aangevoerde aanvullende cassatieklacht, die gebaseerd is op laatstvermeld proces-verbaal.

Het betoog van de vrouw dat haar onbekendheid met dat proces-verbaal ten tijde van de indiening van het cassatieverzoekschrift verschoonbaar was omdat het proces-verbaal haar nooit was toegezonden, gaat niet op, reeds omdat blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof door de voorzitter mededeling is gedaan van de ingekomen stukken; daartoe behoort ook de hiervoor in 3.3.1 vermelde brief van de advocaat van de man die op 3 november 2005 bij het hof is ingekomen en die als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank bevatte. De vrouw had derhalve in ieder geval vanaf de mondelinge behandeling bij het hof bekend moeten zijn met (het bestaan van) het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank.

3.3.3 Het voorgaande brengt mee dat bij de beoordeling van de hiervoor in 3.2 vermelde klacht moet worden uitgegaan van de vaststelling van het hof in rov. 19, dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum van 1 januari 2005.

3.4 De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn/haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moeten geven in de motivering.

3.5 Het oordeel van het hof dat de wijziging van de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2005 redelijk en billijk is, is gelet op hetgeen partijen in de feitelijke instanties hebben aangevoerd - waarbij moet worden aangenomen dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum van 1 januari 2005 - niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 december 2007.