Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB4751

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
43331
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Berekening belastbaar inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.331

5 oktober 2007

gewezen op het beroep in cassatie van X2 te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 april 2006, nr. 03/02096, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De aanslag en de boetebeschikking zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Middel 1 richt zich tegen 's Hofs berekening van het belastbare inkomen van 1998, in onderdeel 5.8.1 van zijn uitspraak.

Het middel slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen geen bedrag was begrepen ter zake van verliesverrekening. Het Hof heeft, uitgaande van het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen, derhalve ten onrechte bij wege van interne compensatie een bedrag wegens te veel verrekend verlies in aanmerking genomen. Het belastbare inkomen moet daarom worden gesteld op ƒ 156.468, dat is een lager bedrag dan waarover de aanslag is berekend.

3.2. Tussen partijen is in cassatie niet in geschil dat na gegrondbevinding van middel 1 ook middel 2 slaagt. De Inspecteur zal derhalve worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.

3.3. Middel 3 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. Uit het hiervoor in 3.1 en 3.2 overwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen omtrent de aanslag en de proceskosten, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 156.468, waarvan een bedrag van ƒ 5700 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P.J. van Amersfoort, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.