Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB4736

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
41492
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vertrouwensbeginsel. Uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen van een fiscale kwalificatie van de feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2008/64 met annotatie van A.H.H. Bollen-Vandenboorn
BNB 2007/323
V-N 2007/46.3 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.492

5 oktober 2007

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 november 2004, nr. 03/1798, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke navorderingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Bij een bij belanghebbendes werkgever ingestelde belastingcontrole is gebleken dat aan belanghebbende door zijn werkgever in het jaar 2000 een personenauto ter beschikking is gesteld voor het verrichten van werkzaamheden. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar van een ter beschikking gestelde auto geen melding gemaakt en geen inkomsten ter zake daarvan aangegeven.

De primitieve aanslag over het jaar 2000 is vastgesteld conform de aangifte. Het aanslagbiljet is gedagtekend 2 augustus 2001.

3.1.2. Bij brief van 21 juni 2000 heeft de Inspecteur belanghebbende vragen gesteld over de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999, omdat belanghebbende volgens opgave van de werkgever beschikte over een personenauto. Belanghebbende heeft tegenover de Inspecteur bij brief van 3 juli 2000 daarop verklaard:

“(…) Uit uw brief concludeer ik dat u meent dat ik een auto van de zaak heb. Ik denk dat u dit gebaseerd heeft op de oorspronkelijke jaaropgaaf (…). Deze is echter fout en deze is dan ook gewijzigd (…). Op deze juiste jaaropgaaf, waarvan bijgaand een kopie, kunt u lezen dat ik gebruik maak van ‘vervoer vanwege de werkgever’ en dus niet beschik over een auto van de zaak.”

Deze verklaring is vergezeld gegaan van een overeenkomstig door de werkgever gecorrigeerde herziene jaaropgaaf. Uit de gedingstukken blijkt dat de werkgever daarnaast tegenover de belastingdienst bij brief van 7 juli 2000 nogmaals uitdrukkelijk heeft verklaard dat geen sprake was van “een auto van de zaak”, maar van “vervoer vanwege de werkgever”. De Inspecteur heeft vervolgens (zonder nader onderzoek) de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 gevolgd.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur door de gang van zaken als vermeld onder 3.1.2 het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat hij het standpunt van belanghebbende inzake de kwalificatie van de tussen belanghebbende en diens werkgever getroffen “autoregeling” deelde, op grond waarvan de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 dient te worden vernietigd.

3.3. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Bij dit oordeel heeft het Hof van belang geacht dat de verwerking van de autokosten uitdrukkelijk aan de orde is gesteld bij de aanslagregeling 1999 en dat de Inspecteur zich bij de aanslagregeling voor het jaar 1999 een gefundeerd standpunt heeft gevormd, dan wel heeft kunnen vormen omtrent de tussen belanghebbende en zijn werkgever bestaande “autoregeling”.

3.4. Het middel, dat tegen voormeld oordeel opkomt, slaagt. ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende bij de aanslagregeling over het jaar 1999 - welke plaatsvond vóórdat de primitieve aanslag over 2000 werd opgelegd - het standpunt van de Inspecteur dat hij in 1999 beschikte over een auto van de zaak uitdrukkelijk heeft tegengesproken en deze tegenspraak vergezeld heeft doen gaan van een gewijzigde jaaropgaaf van zijn werkgever. Belanghebbende geeft aan dat de feitelijke situatie in 1999 geen andere was dan in 2000. Nu vaststaat dat in het jaar 2000 aan belanghebbende door zijn werkgever wél een auto ter beschikking is gesteld, komt een en ander erop neer dat belanghebbende het gestelde vertrouwen wil ontlenen aan het feit dat de Inspecteur zonder verder onderzoek belanghebbendes eigen onjuiste inlichting als juist heeft aanvaard. Uit dat laatste volgt echter geenszins dat de Inspecteur zich daarbij bewust moet zijn geweest van de feitelijke stand van zaken - eerder ligt het tegendeel voor de hand -, zodat uit alleen bedoelde aanvaarding geen vertrouwen kon worden geput van een gelijksoortige behandeling in een geval waarin de Inspecteur wél van die stand van zaken op de hoogte zou zijn.

3.5. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.