Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB4100

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
02425/06 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB4100
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Recht van verdediging. Het pv ttz. in appel houdt in dat aan verdachte te kennen is gegeven dat op die zitting niet inhoudelijk zou worden ingegaan op het afmaken van kalveren waarna verdachte de zittingszaal heeft verlaten. Vervolgens heeft de AG o.m. onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen runderen gevorderd en heeft het Hof in zijn einduitspraak die runderen verbeurdverklaard. E.e.a. komt komt er op neer dat verdachte in de veronderstelling is gebracht dat de beslissing over de runderen niet ttz aan de orde zou komen, terwijl na het daarop volgende vertrek van verdachte uit de zittingzaal de AG in de gelegenheid is geweest een vordering tot een beslissing over die runderen te doen, het onderzoek ttz. is gesloten en het Hof na deze zitting tot een beslissing over deze runderen is gekomen. Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met het mede in art. 311.2 en 4 Sv verankerde recht van verdachte om aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan i.c. leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 589
JOL 2007, 712
RvdW 2007, 947
NJB 2007, 2240.2
NBSTRAF 2007/420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2007

Strafkamer

nr. 02425/06 E

AM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, van 8 februari 2006, nummer 24/001902-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Groningen van 27 september 2004 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan" veroordeeld tot stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Goudswaard, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over zaak B onder 2 en voor zover daarin besloten is tot verbeurdverklaring van drie runderen, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof te Leeuwarden teneinde opnieuw te beslissen over feit 2 van zaak B en over de opgelegde sancties, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte heeft belemmerd in zijn recht zich te verdedigen.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2006 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat ingevolge het interlocutoir arrest van dit hof d.d. 17 november 2005, toen het onderzoek ter terechtzitting werd geschorst.

Het hof vangt - met instemming van de advocaat-generaal en de verdachte - het onderzoek niet opnieuw aan.

Verdachte verklaart zakelijk weergegeven:

(...) Ik kom hier alleen vanwege de drie geëuthanaseerde kalveren.

De voorzitter deelt hierop mede, zakelijk weergegeven:

Vandaag wordt niet inhoudelijk ingegaan op het afmaken van genoemde kalveren.

Verdachte deelt daarop mede, zakelijk weergegeven:

Dan ga ik weer weg.

Hierop verlaat de verdachte de zittingzaal.

De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn (aanvullende) vordering voor en legt die aan het hof over. (...) Aanvullend vordert de advocaat-generaal de onttrekking aan het verkeer van de drie inbeslaggenomen runderen.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het hof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 8 februari 2006 te 13.30 uur."

3.2.2. Het Hof heeft vervolgens in zijn einduitpraak onder meer de drie inbeslaggenomen runderen verbeurdverklaard.

3.3. Een en ander komt er op neer dat de verdachte in de veronderstelling is gebracht dat de beslissing over de drie inbeslaggenomen runderen niet op de terechtzitting van 26 januari 2006 aan de orde zou komen, terwijl na het daarop volgende vertrek van de verdachte uit de zittingzaal de Advocaat-Generaal in de gelegenheid is geweest een vordering tot een beslissing over die runderen te doen, het onderzoek ter terechtzitting is gesloten en het Hof na deze terechtzitting tot een beslissing over deze runderen is gekomen. Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met het mede in art. 311, tweede en vierde lid, Sv verankerde recht van de verdachte om aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in dit geval leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

3.4. Het middel is mitsdien terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M Hart, en uitgesproken op 30 oktober 2007.