Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB3999

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
01752/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB3999
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Duur proeftijd mbt bijzondere voorwaarde; art. 14b en 14c Sr. HR ambtshalve: De geschiedenis van de totstandkoming van de wet die leidde tot de wetswijziging miv 1-4-93 en waarbij o.m. art. 14c Sr is gewijzigd en vernummerd, bevat niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld wijziging te brengen in de toen bestaande regeling van de duur van de proeftijd. Daarom moet worden aangenomen dat art. 14b.2 Sr bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van art. 14c.2 Sr. Art. 14b.2 Sr moet worden gelezen als inhoudend dat de proeftijd in geval van o.m. een gestelde bijzondere voorwaarde ten hoogste 2 jr bedraagt. Gelet hierop heeft het Hof ten onrechte een proeftijd van 3 jr vastgesteld wat betreft de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 146 met annotatie van N. Keijzer
JOL 2007, 713
RvdW 2007, 945
NJB 2007, 2241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2007

Strafkamer

nr. 01752/06

IB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 januari 2006, nummer 22/004822-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 1 juli 2005 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "belaging" en 3. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en wat betreft de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven met een proeftijd van drie jaren, alsmede tot een geldboete van vijfhonderd euro, subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] deels toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichting opgelegd een en

ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. Op 23 november 2006 is bij de Hoge Raad ingekomen een brief van de verdachte. Voorts is op 18 september 2007 bij de Hoge Raad ingekomen een brief (met bijlagen) van mr. Baumgardt.

2.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

"Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op generlei wijze, noch direct, noch indirect, contact zal opnemen met [benadeelde partij 1].

Stelt de proeftijd bij de gestelde bijzondere voorwaarde op 3 (drie) jaren."

4.2. Art. 14b, tweede lid, Sr luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, onder 3° en 4°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren."

4.3.1. Tot de inwerkingtreding van de wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29 luidden het eerste en het tweede lid van art. 14c Sr als volgt:

"1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

1°. (...);

2°. (...);

3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;

4°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen."

4.3.2. Bij genoemde wet is - voor zover hier van belang - de storting van een geldsom in een fonds ten behoeve van slachtoffers van delicten als bijzondere voorwaarde opgenomen in art. 14c, tweede lid onder 4°, Sr met gelijktijdige vernummering van het toenmalige nummer 4° tot nummer 5°. Sedertdien luiden het eerste en het tweede lid van art. 14c Sr als volgt:

"1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

1°. (...);

2°. (...);

3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;

4°. storting van een door de rechter vast te stellen som gelds in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd.

5°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen."

4.4. De geschiedenis van de totstandkoming van meergenoemde wet bevat niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld wijziging te brengen in de toen bestaande regeling van de duur van de proeftijd. Daarom moet worden aangenomen dat art. 14b, tweede lid, Sr bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van art. 14c, tweede lid, Sr. Art. 14b, tweede lid, Sr moet dus - voor zover hier van belang - worden gelezen als volgt:

"De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, onder 3° en 5°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren."

4.5. Gelet hierop heeft het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren vastgesteld wat betreft de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven, doch de Hoge Raad zal deze misslag herstellen.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor zover het Hof een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld;

bepaalt dat de door het Hof opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de door het Hof vastgestelde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de in de bestreden uitspraak omschreven bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M Hart, en uitgesproken op 30 oktober 2007.