Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB3931

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
41165
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4254, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidskostenforfait naast Nedeco-aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1704 met annotatie van Fijen
FutD 2007-1783
BNB 2007/318
V-N 2007/44.11

Uitspraak

Nr. 41.165

21 september 2007

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 augustus 2004, nr. 99/01689, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd uitsluitend voor zover het de inkomstenbelasting betreft. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij zich ten aanzien van de eerste klacht refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is gedurende het gehele jaar buitenslands in loondienst werkzaam geweest. Hij was in het onderhavige jaar ingezetene van Nederland. Over de periode van 1 augustus tot en met 18 september had hij aanspraak op de zogenoemde Nedeco-aftrek.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende buiten de zojuist genoemde periode geen aanspraak had op de Nedeco-aftrek.

3.3. De eerste klacht betoogt dat het Hof, indien zijn hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel juist mocht zijn, ten onrechte het arbeidskostenforfait als bedoeld in artikel 37, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet in aanmerking heeft genomen over de perioden 1 januari tot en met 31 juli en 19 september tot en met 31 december.

3.4. In het verweerschrift ligt besloten dat dit betoog volgens de Staatssecretaris strookt met de bedoeling van de in BNB

1995/84 en BNB 2000/72 gepubliceerde versies van de Nedeco-regeling. Dit moet leiden tot gegrondbevinding van de klacht.

3.5. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het belastbare inkomen dient te worden verminderd met ƒ 2598 tot ƒ 102.497, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een bedrag van ƒ 70.499.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.497, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een bedrag van ƒ 70.499,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.