Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB3193

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
28-09-2007
Zaaknummer
R07/045HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB3193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; vervolg op HR 20 oktober 2006, nr. R06/096, NJ 2007, 383. Worteling kind in nieuwe omgeving geen reden teruggeleiding te weigeren op grond van art. 3, 13 lid 1, aanhef en onder b, art. 12 lid 2 en art. 20 HKOV; geen schending art. 8 EVRM in het licht van HKOV.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 3, geldigheid: 2007-09-28
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 13, geldigheid: 2007-09-28
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 20, geldigheid: 2007-09-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2007, 806
NJ 2008, 548
JOL 2007, 618
NJB 2007, 1970
FJR 2008, 50
JWB 2007/313

Uitspraak

28 september 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/045HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Brandt,

t e g e n

De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, handelend in haar hoedanigheid van CENTRALE AUTORITEIT, zowel voor zichzelf als mede namens [de vader], wonende te Hawaï, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Centrale Autoriteit.

1. Het geding in voorgaande instanties

De Hoge Raad verwijst voor het daaraan voorafgaande verloop van dit geding naar zijn beschikking van 20 oktober 2006, nr. R06/096, RvdW 2006, 969.

Bij die beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2006 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de zaak op 10 januari 2007 mondeling behandeld. Bij beschikking van 7 februari 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2006 vernietigd en, opnieuw beschikkende, de afgifte door de moeder aan de vader van het minderjarige kind van partijen, [het kind], gelast ter teruggeleiding naar de plaats van haar gewone verblijf in Hawaï. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.

De beschikking van 7 februari 2007 is aan deze beschikking gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Centrale Autoriteit heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de moeder heeft bij brief van 23 augustus 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de eerdere beschikking van de Hoge Raad in deze zaak van 20 oktober 2006, nr. R06/096, NJ 2007, 383, en in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5-6.

3.2 Onderdeel 2 acht onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de moeder haar stelling dat [het kind] thans in Nederland geworteld is, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit art. 13 lid 1, aanhef en onder b, en art. 12 lid 2 HKOV, in samenhang bezien, volgt dat de enkele omstandigheid dat het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld alleen dan grond kan zijn tot afwijzing van een verzoek de terugkeer te gelasten, indien meer dan één jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging of achterhouding en het tijdstip van de indiening van het verzoek - hetgeen zich hier niet voordoet - alsmede dat de enkele omstandigheid dat het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld niet meebrengt dat het in een situatie dreigt te komen als bedoeld in art. 13 lid 1, aanhef en onder b.

3.3 De onderdelen 3 en 4 willen de opvatting ingang doen vinden dat de omstandigheid dat [het kind] inmiddels diepgaand is geworteld in Nederland meebrengt dat terugkeer naar Hawaï niet in haar belang is en het verzoek daartoe op grond van onderscheidenlijk art. 13 lid 1, aanhef en onder b, art. 20 en art. 12 lid 2 HKOV moet worden afgewezen.

3.4 Het beroep op art. 13 lid 1, aanhef en onder b, en op art. 12 lid 2 HKOV (onderdeel 3) faalt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen.

3.5.1 Ook het beroep op de weigeringsgrond van art. 20 HKOV (onderdeel 4) mist doel. Die bepaling ziet op gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst dreigt te worden tekortgedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals deze gelden in het land van de aangezochte rechter, en de terugkeer van het kind daarom niet kan worden toegestaan. De enkele omstandigheid dat het kind, als gevolg van het feit dat het inmiddels geworteld is geraakt in het land waar het zich na de ontvoering bevindt, beter af zou zijn indien terugkeer wordt geweigerd, kan derhalve de toepassing van art. 20 HKOV dan ook niet rechtvaardigen.

3.5.2 Voor zover het onderdeel wil betogen dat art. 8 EVRM zich tegen de toewijzing van het verzoek tot terugkeer van [het kind] verzet, faalt het eveneens. Het bepaalde in art. 8 EVRM moet in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een in de zin van art. 3 HKOV ongeoorloofd overbrengen of achterhouden van een kind, worden uitgelegd in het licht van het HKOV (vgl. EHRM 25 januari 2000, NJ 2002, 239, rov. 95), hetgeen betekent dat art. 8 EVRM in beginsel meebrengt dat de autoriteiten van de aangezochte staat het HKOV dienen na te leven. De enkele omstandigheid dat het kind inmiddels geworteld is geraakt in het land waar het zich na de ontvoering bevindt, is dan ook onvoldoende om de terugkeer in strijd te achten met art. 8 EVRM.

3.5.3 Voor zover het onderdeel aanvoert dat art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind aan toewijzing van het verzoek in de weg staat, mist het op de gronden, uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17, eveneens doel.

3.6 Ook de overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2007.