Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB2951

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
02243/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BB2951
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gemachtigde raadsman ex art. 279 Sv. HR herhaalt de regels uit HR LJN AE9649. Het Hof kon met het oog op de aantekening mondeling vonnis oordelen dat de procedure bij de PR gold als een procedure op tegenspraak en dat derhalve het beroep te laat is ingesteld. Daaraan doet niet af dat van de laatste zitting bij de PR geen p-v is opgemaakt, nu met een “stempelvonnis” kon worden volstaan. Bij e.e.a. neemt de HR in aanmerking dat bij het hof niet is aangevoerd dat en waarom de inhoud van de aantekening mondeling vonnis is strijd is met de waarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 331
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 689
RvdW 2007, 899
NJB 2007, 2153
NBSTRAF 2007/410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2007

Strafkamer

nr. 02243/06

RR/

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 maart 2006, nummer 21/004562-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 22 april 2004, waarbij de verdachte ter zake van "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast" is veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro subsidiair zes dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

3.2.1. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een aantekening als bedoeld in art. 378a Sv van het mondeling vonnis van de Politierechter van 22 april 2002. Deze aantekening houdt - voor zover hier van belang - in:

"advocaat Mr. E.Th. Hummels uitdrukkelijk gemachtigd, is verschenen tegenspraak";

(ii) een akte rechtsmiddel. Deze akte houdt in dat de verdachte op 12 september 2005 beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter van 22 april 2002;

(iii) een brief van de Griffier van de Rechtbank aan de Griffier van het Hof van 26 september 2005. Deze brief houdt - voor zover hier van belang - in:

"Hierbij doe ik u toekomen de processtukken met betrekking tot een vonnis van de politierechter van 22 april 2002 gewezen tegen de veroordeelde [verdachte]. Het betreft een vonnis op tegenspraak.

Veroordeelde heeft op 12 september 2005 hoger beroep ingesteld. Aangezien veroordeelde drie maanden na het uitspreken van het vonnis hoger beroep heeft ingesteld is gelet op artikel 378 van het Wetboek van Strafvordering het proces-verbaal terechtzitting niet uitgewerkt."

3.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

"Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter ontbreekt. Ik kan zo niet zien of het beroep ontvankelijk is of niet. Er zijn ook geen aantekeningen van de griffier."

3.2.3. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Ontvankelijkheid van het beroep Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis d.d. 22 april 2002, daartegen hoger beroep instellen. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn, te weten

12 september 2005, is ingesteld, dient verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard."

3.3. De regeling van art. 279 Sv komt daarop neer dat, wanneer een advocaat ter terechtzitting heeft verklaard dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, en de rechter met een behandeling van de zaak buiten tegenwoordigheid van de verdachte heeft ingestemd, de raadsman alle hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, dus met inbegrip van de bevoegdheden bedoeld in art. 331, eerste lid, Sv. In deze gevallen geldt de behandeling van de zaak naar luid van het tweede lid van art. 279 Sv als een procedure op tegenspraak, hetgeen - naar uit de wetsgeschiedenis als bedoeling van de wetgever blijkt - meebrengt dat het instellen van een rechtsmiddel binnen veertien dagen na de einduitspraak dient te geschieden (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AE9649, NJ 2003, 390, rov. 3.3).

3.4 Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat hier sprake is van zo een geval. Dat oordeel is in het licht van de hiervoor onder 3.2 vermelde stukken niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter van 22 april 2002, nu met een "stempelvonnis" kon worden volstaan, achterwege is gebleven. Het Hof kon onder die omstandigheid aan dat "stempelvonnis" ontlenen dat het op tegenspraak is gewezen omdat sprake was van een gemachtigde raadsman als bedoeld in art. 279 Sv. Bij een en ander neemt de Hoge Raad in aanmerking dat niet is gebleken dat door of namens de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevoerd dat en waarom de hiervoor onder 3.2.1 weergegeven inhoud van de aldaar genoemde aantekening in strijd is met de waarheid.

3.5. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 oktober 2007.