Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB1373

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
40984
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 11, lid 1, aanhef en letter u, Wet OB’68 en art. 13A, lid 1, aanhef en letter f, Zesde richtlijn: toepassingsbereik koepelvrijstelling; prejudiciële vraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1479 met annotatie van Van Dongen
FutD 2007-1513
BNB 2007/285
V-N 2007/40.25

Uitspraak

Nr. 40.984

10 augustus 2007

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juni 2004, nr. P02/05245, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van ƒ 182.460. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende vormt een samenwerkingsverband van ziekenhuizen en andere instellingen in de gezondheidszorg. Zij verleent tegen vergoeding diensten op het gebied van de gezondheidszorg, onder meer diensten met betrekking tot kwaliteitsnormen in de gezondheidszorg en met betrekking tot de beschrijving en ondersteuning van kwaliteitsbeleid binnen de gezondheidszorg. De personeelsleden van belanghebbende die deze diensten verrichten, hebben de hoedanigheid van arts, verpleegkundige of beoefenaar van enig ander beroep dat is vermeld in de Wet van 11 november 1993, houdende regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg.

3.2. Voor het Hof was niet in geschil dat de diensten die belanghebbende aan aangesloten ziekenhuizen verricht, op de voet van artikel 11, lid 1, aanhef en letter u, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) zijn vrijgesteld van omzetbelasting voor zover de door belanghebbende daarvoor in rekening gebrachte vergoedingen aan de ziekenhuizen worden vergoed op basis van de Wet tarieven gezondheidszorg (Wet van 20 november 1980, Stb. 646, met ingang van 1 oktober 2006 vervangen door de Wet marktordening gezondheidszorg van 7 juli 2006, Stb. 415).

3.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal van de overige diensten die belanghebbende aan ziekenhuizen, andere instellingen en personen in rekening brengt - vermeld in 's Hofs uitspraak, punt 2.4, hierna de litigieuze diensten - niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting en heeft op grond daarvan de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voor deze laatste diensten afzonderlijke vergoedingen in rekening heeft gebracht en dat deze niet onderdeel waren van het verhalen van gezamenlijke kosten in de zin van artikel 11, lid 1, letter u, van de Wet. De klachten die zich richten tegen dit oordeel houden in dat vaststaat dat - naar reeds voor het Hof is betoogd - belanghebbende geen overschotten beoogt noch behaalt en dat de hiervoor vermelde vergoedingen enkel de kosten dekken, zodat 's Hofs oordeel geen stand kan houden.

3.5. Artikel 11, lid 1, aanhef en letter u, van de Wet is vastgesteld ter uitvoering van artikel 13, A, lid 1, letter f, van de Zesde richtlijn. Op grond daarvan zijn - voor zover in deze zaak van belang - van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: de btw) vrijgesteld diensten in de zin van de artikelen 2 en 6 van de Zesde richtlijn die worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, ten einde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van deze activiteit. Voorwaarden zijn voorts dat een dergelijke groepering van haar leden terugbetaling vordert van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven en dat de vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden.

Niet in geschil is dat de litigieuze diensten, voor zover deze worden verricht aan de bij belanghebbende aangesloten instellingen, direct nodig zijn voor het uitoefenen van de vrijgestelde activiteiten van de leden en dat geen sprake is van concurrentieverstoring. Wel in geschil is of met betrekking tot de aan leden verrichte diensten is voldaan aan de voorwaarde dat het moet gaan om terugbetaling van het aandeel van de leden in de gezamenlijke uitgaven.

3.6. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van hetgeen op dit punt door belanghebbende voor het Hof is gesteld en in cassatie is herhaald, te weten dat litigieuze diensten diensten zijn in de zin van de hiervoor in 3.5 vermelde richtlijnbepaling en dat belanghebbende voor de litigieuze diensten vergoedingen bedingt die niet uitgaan boven de werkelijke kosten daarvan, rijst de vraag of daardoor sprake is van het van de leden vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke kosten als bedoeld in de richtlijnbepaling. De bepaling zou zo uitgelegd kunnen worden dat deze slechts ziet op werkzaamheden van de daar bedoelde groepering ten behoeve van alle leden gezamenlijk, waarvan (slechts) de kosten met een bepaalde verdeelsleutel in rekening worden gebracht aan de leden. De bepaling zou echter ook zo kunnen worden uitgelegd dat daaronder vallen alle diensten van de groepering aan haar leden, mits als vergoeding niet meer wordt gevorderd dan de voor die diensten gemaakte kosten, ook diensten die slechts jegens een of meer leden worden verricht. De ratio van de vrijstellingsbepaling - het bevorderen van de fiscale neutraliteit door van de btw vrij te stellen prestaties die worden verricht aan belastingplichtigen ter ondersteuning van door deze verrichte vrijgestelde prestaties door overkoepelende organisaties waarvan zij lid zijn - lijkt deze uitlegging te ondersteunen.

Derhalve doen de klachten een vraag rijzen van uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht.

3.7. Op grond van het vorenstaande zal de Hoge Raad op de voet van artikel 234 EG aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake na te melden vraag.

4. Beslissing

De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de volgende vraag:

Moet artikel 13, A, lid 1, aanhef en letter f, van de Zesde richtlijn zo worden uitgelegd dat daaronder mede vallen diensten van de in deze bepaling bedoelde groeperingen aan hun leden, die direct nodig zijn voor de uitoefening van hun vrijgestelde prestaties of prestaties waarvoor zij niet belastingplichtig zijn en waarvoor als vergoeding niet meer wordt gevorderd dan de voor die diensten gemaakte kosten, indien deze diensten slechts jegens een of meer leden worden verricht?

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2007.