Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BB1372

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
42650
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 35 en artikel 44a, lid 1, Wet IB 1964

Fonds open of besloten? Tijdstip nemen aftrekbare kosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1502 met annotatie van Hemels
FutD 2007-1518
BNB 2007/287
V-N 2007/37.21

Uitspraak

Nr. 42.650

10 augustus 2007

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 augustus 2005, nr. P04/00061, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in 1995 de eigendom van twee kavels verkregen, ieder groot 1 hectare, in plantage B in Costa Rica (hierna: B).

Op 23 februari 1995 is opgericht de Coöperatieve Vereniging Beheerscoöperatie D U.A. (hierna: de vereniging) te Q. Belanghebbende was medeoprichter en voorzitter van de vereniging. Alle eigenaren van kavels in B waren lid van de vereniging.

In 1996 zijn de kavels door de eigenaren als kapitaal ingebracht in E B.V. (hierna: de BV) tegen uitgifte van aandelen. Na deze inbreng is de vereniging opgeheven. Voorts is in 1996 de commanditaire vennootschap F opgericht, die als doel heeft het exploiteren van de kavels in B. De BV treedt op als beherend vennoot van de commanditaire vennootschap. Belanghebbende en de overige kaveleigenaren zijn de commanditaire vennoten. De BV heeft de houtopstanden van B ingebracht in de commanditaire vennootschap; de commanditaire vennoten hebben ieder geld ingebracht in de commanditaire vennootschap.

Belanghebbende heeft in 1997 aan de vereniging bedragen betaald voor contributie (ƒ 8640) en voor het beheer en onderhoud van de plantage (ƒ 14.400). Het gaat hier om nabetalingen aan de vereniging.

3.2. Voor het Hof was in geschil of (een deel van) deze nabetalingen aangemerkt moeten worden als aftrekbare kosten, zoals belanghebbende betoogde, of als (bij-)stortingen op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 44a, lid 1, eerste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals de Inspecteur betoogde.

3.3.1. Het Hof heeft vooropgesteld dat nu vaststaat dat de in geschil zijnde betalingen nabetalingen aan de vereniging zijn, voor de beoordeling van de vraag of sprake is van aftrekbare kosten de inbreng in 1996 van de kavels in de BV niet van belang is.

3.3.2. Het Hof heeft uit de bepalingen van de statuten van de vereniging afgeleid dat de eigenaren van de kavels door hun lidmaatschap van de vereniging de uit hun eigendomsrechten voortspruitende rechten en verplichtingen met uitzondering van de juridische eigendom als afgescheiden vermogen hebben ingebracht in een gemeenschappelijk fonds, en dat de vereniging het beheer en de exploitatie van de ingebrachte kavels op zich heeft genomen voor gemene rekening van de inbrengers.

3.3.3. Het Hof heeft vervolgens, na de inschrijving in het verenigingsregister van het lidmaatschap van de vereniging te hebben aangemerkt als een bewijs van deelgerechtigdheid, geoordeeld dat de bewijzen van deelgerechtigdheid niet verhandelbaar zijn.

3.3.4. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat de door belanghebbende in het onderhavige jaar gedane betalingen aan de vereniging aftrekbaar zijn als kosten ter verwerving, inning of behoud van de inkomsten uit de kavels. Het Hof heeft daartoe overwogen dat, nu de vereniging het beheer en onderhoud van de kavels verzorgde, de betalingen die belanghebbende daarvoor heeft gedaan aftrekbare kosten vormen. Middel 4 bestrijdt dit oordeel.

3.4. Met zijn hiervoor onder 3.3.4 weergegeven oordeel heeft het Hof miskend dat het feit dat belanghebbende in het onderhavige jaar (na-)betalingen voor beheer en onderhoud van de kavels heeft gedaan aan de (opgeheven) vereniging niet zonder meer de slotsom rechtvaardigt dat belanghebbende in dat jaar uitgaven heeft gedaan die aftrekbare kosten vormen ter zake van de inkomsten uit de kavels. Dat is slechts het geval indien en voor zover in het onderhavige jaar ten laste van een gemeenschappelijk fonds met niet-verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid, waarin belanghebbende participeert, uitgaven ter zake van beheer of onderhoud van de kavels zijn gedaan, die aan belanghebbende zijn toe te rekenen.

3.5. Uit het hiervoor onder 3.4 overwogene volgt dat middel 4 slaagt voorzover het een daarop gerichte klacht bevat, alsmede dat de middelen 1 respectievelijk 2 en 3, die zich keren tegen de hiervoor onder 3.3.2 respectievelijk 3.3.3 weergegeven oordelen van het Hof, falen bij gebrek aan belang; of sprake is van een gemeenschappelijk fonds als hiervoor onder 3.4 bedoeld, moet immers niet worden beoordeeld naar de omstandigheden zoals die waren vóór de inbreng in 1996 van de kavels in de BV, hetgeen het Hof heeft gedaan, doch naar de omstandigheden in het onderhavige jaar. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Middel 4 behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en voor de kosten van de bezwaarfase een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P.J. van Amersfoort, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2007.

De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door mr. P.J. van Amersfoort.