Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA9616

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
R06/111HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA9616
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6102, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP; tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 1, onder c, F.; procesrecht, aanvulling van gronden na verstrijken beroepstermijn, apparaatsfout, ontoelaatbaar terugkomen door hof op eerder toegezegde aanvullende beroepstermijn.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 562
JOL 2007, 678
RvdW 2007, 879
NJB 2007, 2141
JWB 2007/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 oktober 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/111HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als [verzoekster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij arrest van 10 januari 2005 heeft het gerechtshof te Arnhem de wettelijke schuldsaneringsregeling definitief van toepassing verklaard ten aanzien van [verzoekster].

Bij inleidend verzoek van 27 februari 2006 heeft de bewindvoerder de rechtbank Leeuwarden verzocht de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds te beëindigen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 juni 2006 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.

Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 9 augustus 2006 heeft het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en terugverwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Het hof Arnhem heeft op 10 januari 2005 de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] definitief van toepassing verklaard.

(ii) Op 27 februari 2006 heeft de bewindvoerder de rechtbank Leeuwarden verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op de voet van art. 350 lid 3, aanhef en onder c en e, F.

(iii) Bij vonnis van 8 juni 2006 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd en de bewindvoerder tot curator in het faillissement van [verzoekster] benoemd.

(iv) [Verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden. In haar beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juni 2006, heeft [verzoekster] gesteld dat de motivering van het vonnis nog niet gereed was en dat zij, zodra deze bekend zou zijn, de gronden van het hoger beroep ten spoedigste zou aanvoeren.

(v) Bij brief van 20 juni 2006 heeft de griffier van het hof aan de procureur van [verzoekster] bericht dat de zaak pro forma zou worden behandeld op 30 juni 2006 en dat hij in de gelegenheid werd gesteld de gronden van het beroepschrift aan te vullen tot uiterlijk 27 juni 2006.

(vi) De procureur van [verzoekster] heeft het hof bij fax van 23 juni 2006 bericht dat hij het vonnis van de rechtbank pas op 22 juni 2006 had ontvangen en heeft om uitstel van één week verzocht voor het indienen van de gronden.

(vii) De griffier van het hof heeft in antwoord op dit verzoek bij brief van 26 juni 2006 aan de procureur bericht:

"Naar aanleiding van het faxbericht van uw opdrachtgever d.d. 23 juni jl. deel ik u mee dat het hof akkoord gaat met het verzoek om uitstel.

U wordt tot uiterlijk 4 juli 2006 in de gelegenheid gesteld uw gronden nader aan te vullen.

(...)"

3.2 Het hof heeft bij arrest van 9 augustus 2006 [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het overwoog daartoe als volgt:

"9. Ingevolge het bepaalde in artikel 359 jo artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep rust. Op dit wettelijk vereiste kan een uitzondering worden gemaakt in het - zich hier voordoende - geval dat in het beroepschrift een voorbehoud is gemaakt tot aanvulling der gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk, zoals het bestreden vonnis. Volgens vaste jurisprudentie (vergelijk Hoge Raad 23 december 2005, NJ 2006, 31) dient zo'n aanvullend beroepschrift met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending heeft te gelden. Waar in zaken als de onderhavige geldt dat gedurende acht dagen hoger beroep kan worden ingesteld, heeft deze termijn eveneens te gelden voor indiening van een aanvullend beroepschrift.

10. Op 19 juni 2006 is ter griffie van het hof een afschrift van het vonnis van de rechtbank binnengekomen.

11. Uit het fax-bericht van 23 juni 2006 van de raadsman van [verzoekster] blijkt dat de rechtbank uiterlijk op donderdag 22 juni 2006 een afschrift van het vonnis aan de raadsman heeft verstrekt. Uitgaande van laatstgenoemde datum had het aanvullende beroepschrift niet later dan vrijdag 30 juni 2006 moeten worden ingediend. Het aanvullende beroepschrift is evenwel eerst op maandag 3 juli 2006 ter griffie van het hof ontvangen.

12. [Verzoekster] heeft nog aangevoerd dat zij er op grond van de schriftelijke mededeling van de griffier van het hof (rekestzaken) op heeft vertrouwd en op heeft mogen vertrouwen dat het aanvullende beroepschrift nog tot 4 juli 2006 kon worden ingediend. Dienaangaande overweegt het hof als volgt. De omstandigheid dat de raadsman van [verzoekster] overleg heeft gevoerd met de griffier van het hof en dat deze de raadsman bij brief van 26 juni 2006 heeft meegedeeld dat hij tot uiterlijk 4 juli 2006 in de gelegenheid wordt gesteld de gronden nader aan te vullen, kan het wettelijk vereiste van artikel 359 jo artikel 278 lid 1 Rv en de jurisprudentie van de Hoge Raad zoals hiervoor genoemd, niet terzijde stellen. Daarbij betrekt het hof voorts dat de raadsman er niet vanuit mag gaan dat aan zodanige mededeling van de griffier een beslissing van de rechter (in deze de rekestenkamer van het hof) ten grondslag ligt.

13. Nu [verzoekster] het aanvullende beroepschrift niet tijdig heeft ingediend, kan daarop geen acht worden geslagen.

14. Waar het (tijdig) ingediende beroepschrift geen gronden bevat, kan [verzoekster] in dat beroep niet worden ontvangen."

3.3 Het tegen deze beslissing gerichte middel is terecht voorgesteld omdat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven. Een afschrift van het vonnis van 8 juni 2006, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling werd beëindigd op grond van het bepaalde in art. 350 lid 1, aanhef en onder c, F., is niet terstond na de uitspraak maar - ten onrechte - eerst op 22 juni 2006 aan (de procureur van) [verzoekster] ter beschikking gesteld. In een zodanig geval dient beroep te worden ingesteld binnen de beroepstermijn en kunnen de gronden van het beroep na het verstrijken van die termijn met bekwame spoed in een aanvullend beroepschrift worden voorgedragen, waarbij een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke termijn - na de dag van verstrekking of verzending van de motivering van de uitspraak heeft te gelden (vgl. HR 25 september 1981, nr. 5734, NJ 1982, 452 en HR 23 december 2005, nr. R04/117, NJ 2006, 31).

Aan de procureur van [verzoekster] is door de griffier van het hof desgevraagd bericht dat het hof akkoord ging met zijn verzoek om uitstel tot uiterlijk 4 juli 2006 teneinde in een aanvullend verzoekschrift de gronden van het beroep voor te dragen. Het gaat hier dus niet, zoals bijvoorbeeld het geval was in de zaak die is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 1996, nr. 8793, NJ 1997, 63, om een onjuiste standaardmededeling omtrent de toepasselijke beroepstermijn, maar om een namens het hof gedane toezegging als reactie op een specifiek verzoek. Ook al was de door het hof aan de procureur van [verzoekster] gegunde aanvullende termijn ruimer dan ingevolge de voormelde rechtspraak van de Hoge Raad toelaatbaar is, het stond het hof toch niet vrij van de namens hem gedane toezegging terug te komen, gelet op het daardoor bij de procureur van [verzoekster] gewekte vertrouwen dat gronden voor het beroep die zouden worden ingediend binnen de aan hem gegunde aanvullende beroepstermijn, zouden hebben te gelden als tijdig in het geding naar voren gebracht.

3.4 Nu vaststaat dat het aanvullende beroepschrift ter griffie van het hof is ontvangen binnen de door de griffier namens het hof daartoe gestelde termijn, had het hof [verzoekster] behoren te ontvangen in haar beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 9 augustus 2006;

wijst de zaak terug naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein, en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 19 oktober 2007.