Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA9321

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
40531
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AO4455, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Waardering bungalowpark.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1339 met annotatie van Kastelein
Belastingblad 2007/963
BNB 2007/270 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
V-N 2007/34.30 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.531

13 juli 2007

HdJ

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 12 januari 2004, nr. 99/3153, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000, geldend vanaf 1 januari 1998, vastgesteld op ƒ 84.551.000.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het hoofd van de afdeling Financiële Dienstverlening van de gemeente Oldebroek bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar van een vakantiebungalowpark met 365 als luxe omschreven vrijstaande vakantievilla's, een aantal centrumvoorzieningen, een kantoor, een kinderboerderij, tennisbanen en een schuur (hierna gezamenlijk te noemen: het object). Het object is in 1996 en 1997 gebouwd in opdracht van belanghebbende voor een koop-/aanneemsom van ƒ 98.112.500 inclusief omzetbelasting. Bij de bestreden beschikking, geldend vanaf 1 januari 1998, is de waarde van het object naar de waardepeildatum 1 januari 1994 vastgesteld op ƒ 84.551.000. Blijkens een door de heffingsambtenaar van de gemeente Oldebroek in het geding gebracht taxatierapport is dit de waarde in het economische verkeer van het object.

3.2. Het Hof heeft overwogen dat het bedrag aan stichtingskosten van ƒ 98.112.500, zijnde de prijs die belanghebbende blijkens de koop-/aanneemovereenkomst van 17 oktober 1996 aan de verwerving van het object heeft besteed, geacht kan worden ten minste gelijk te zijn aan de vervangingswaarde van het object in de staat waarin het op 1 januari 1998 verkeerde. Onder verwerping van diverse argumenten van belanghebbende heeft het Hof hieruit afgeleid dat de vastgestelde waarde - waarmee het Hof bedoelt: de waarde in het economische verkeer - naar het prijspeil op 1 januari 1994 niet te hoog is. Het Hof heeft met de hiervoor genoemde overweging terecht - gelet op artikel 17, lid 2, in verbinding met lid 3, Wet WOZ - tot uitgangspunt genomen dat de waarde in het economische verkeer in aanmerking moet worden genomen, indien deze ten minste gelijk is aan de gecorrigeerde vervangingswaarde.

Het Hof is voorts kennelijk ervan uitgegaan dat ter bepaling van de waarde in het economische verkeer van onroerende zaken als de onderhavige, de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uitmaakt van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de onroerende zaak. Dit uitgangspunt is juist (vgl. HR 8 augustus 2003, nr. 38085, BNB 2003/347).

3.3. Belanghebbende bestrijdt 's Hofs oordeel onder meer met het betoog dat in de koop-/aanneemsom mede een bedrag was begrepen voor inventaris/roerende zaken. Het Hof heeft dienaangaande onder 5.4.1 van zijn uitspraak overwogen dat belanghebbende niet heeft weersproken dat het bedrag van de stichtingskosten volgens de koop-/aanneemovereenkomst geheel is toe te rekenen aan onroerende zaken. Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van hetgeen belanghebbende heeft gesteld in haar pleitnota van 5 februari 2002, waar zij (op bladzijde 3-4) artikel 7, lid 3, van die overeenkomst citeert ter onderbouwing van haar betoog dat in de koop-/aanneemovereenkomst roerende zaken zijn begrepen ["De aanneemsom omvat (...) de bouw van 365 recreatiewoningen (met inventaris), (...)"]. Voor de kosten van die zaken verwijst zij naar een aan de pleitnota gehechte bijlage. De middelen I en II zijn in zoverre gegrond.

3.4. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5. Op grond van hetgeen onder 3.3 is overwogen kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar het antwoord op de vraag of in de koop-/aanneemsom mede een bedrag was begrepen voor inventaris/roerende zaken en indien dit het geval is, welke gevolgen dat heeft voor de waardebepaling ingevolge artikel 17, lid 2, in verbinding met lid 3, Wet WOZ.

4. Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de gemeente Oldebroek aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 348, en

veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Oldebroek aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2007.