Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA8512

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
03258/06 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA8512
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Het Hof verwijst in de strafmotivering naar een eerdere veroordeling van verdachte die zou blijken uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 5-10-05. Bij de aan de HR gezonden stukken bevindt zich niet het door het Hof genoemde uittreksel doch een uittreksel van 28-8-02. In aanmerking genomen dat dit uittreksel noch de overige stukken iets inhouden omtrent een veroordeling van verdachte is ’s Hofs motivering van de opgelegde straf niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 624
RvdW 2007, 861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2007

Strafkamer

nr. 03258/06 E

KM/RR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 11 november 2005, nummer 23/000828-03, in de strafzaak tegen:

[Verdachte] gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Alkmaar van 14 oktober 2002 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in zaak A als feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair en in zaak B als feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en hem voorts in zaak B ter zake van feit 1 subsidiair veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad:

- zal vaststellen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van het cassatieberoep is overschreden maar dat er geen aanleiding is enig rechtsgevolg aan deze vaststelling te verbinden;

- de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan;

- de zaak zal terugwijzen teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht;

- het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De verdachte heeft op 11 november 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 27 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

3.3. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen, zal die overschrijding dienen te betrekken bij de strafoplegging.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel klaagt over de strafmotivering.

4.2. Het Hof heeft - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 13 van de Wet Bodembescherming. Zij heeft daardoor het risico genomen dat de bodem zou worden verontreinigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 oktober 2005 is verdachte eerder wegens economische delicten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden."

4.3. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet het door het Hof genoemde uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 5 oktober 2005 betreffende de verdachte doch een uittreksel van 28 augustus 2002. In aanmerking genomen dat dit uittreksel noch de overige stukken van het geding iets inhouden omtrent een veroordeling van de verdachte, is 's Hofs motivering van de opgelegde straf niet zonder meer begrijpelijk.

4.4. Het middel is terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 oktober 2007.