Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA8060

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
43074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 49 van de Invorderingswet; twee aansprakelijkstellingen voor dezelfde belastingschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/266 met annotatie van J.W. Zwemmer
V-N 2007/31.30 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.074

29 juni 2007

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 mei 2006, nr. 04/04967, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 49, lid 1, van de Invorderingswet 1990.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 15 september 2003 op de voet van artikel 36, lid 1, van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 51.353 wegens door B B.V. niet betaalde omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001 en de in verband daarmee verschuldigde heffingsrente, invorderingsrente en kosten. Het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Ontvanger afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is door de Ontvanger bij beschikking van 10 december 2002 aansprakelijk gesteld voor een omzetbelastingschuld van B B.V. ten bedrage van € 113.621,71. Deze aansprakelijkstelling had voor een bedrag van € 64.353,71 betrekking op een in 2000 ontstane schuld, geformaliseerd door middel van een op 27 februari 2002 opgelegde naheffingsaanslag, en voor een bedrag van € 49.268 op een volgens de Ontvanger in 2001 ontstane schuld.

3.1.2. Tegen die beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 2 oktober 2003 heeft de Ontvanger op dat bezwaar uitspraak gedaan. Daarbij heeft hij voormelde beschikking - voor zover thans van belang - gehandhaafd. Tegen die uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het Hof, welk beroep door het Hof is behandeld ter zitting van 27 februari 2005. Bij die gelegenheid is door de Ontvanger aangegeven dat de toen aan de orde zijnde aansprakelijkstelling diende te worden beperkt tot de over het jaar 2000 belopen schuld. Het Hof heeft op 2 juni 2005 in die zin beslist op het zojuist bedoelde beroep, waarbij de Ontvanger is veroordeeld in de proceskosten en teruggaaf van griffierecht is gelast.

3.1.3. Op 17 april 2003 is aan B B.V. ter zake van de over 2001 (tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001) verschuldigd geworden omzetbelasting ten bedrage van € 49.268 een naheffingsaanslag opgelegd. Bij de thans in geding zijnde beschikking van 15 september 2003 is belanghebbende voor die schuld aansprakelijk gesteld. In de kennisgeving van die beschikking heeft de Ontvanger vermeld:

"Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met de aansprakelijkstelling, dan moet u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking bij mij een bezwaarschrift indienen."

3.2. Het Hof heeft in zijn thans bestreden uitspraak met betrekking tot die beschikking onder meer geoordeeld dat, hoewel de Ontvanger de eerste aansprakelijkstelling aanvankelijk tot een te hoog bedrag had vastgesteld, zulks niet leidt tot een beletsel voor de Ontvanger om een tweede aansprakelijkstelling op grond van de alsnog opgelegde naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001 te doen uitgaan. Dit oordeel wordt door het eerste middel bestreden.

3.3. De hiervoor onder 3.1.2 en 3.1.3 vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de beschikking van 15 september 2003 door de Ontvanger vooralsnog tot bewaring van recht was gegeven, en wel voor het geval de eerdere aansprakelijkstelling wegens een gebrek in de grondslag geheel of gedeeltelijk in rechte niet in stand zou blijven. Er is geen wettelijke bepaling of rechtsbeginsel aan te wijzen die respectievelijk dat zich ertegen verzette dat de Ontvanger met dat doel belanghebbende opnieuw aansprakelijk stelde. Voor zover het eerste middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het.

3.4. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2007.