Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA8054

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
41724
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ9855, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 37 Wet IB 1964. Hof verleent ten onrechte naast arbeidskostenforfait ook aftrek voor reiskosten (andere dan bedoeld in art. 36, lid 2, letter a).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/264
V-N 2007/31.19 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.724

29 juni 2007

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 november 2004, nr. 03/00444, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 90.655. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft met toepassing van artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) het bedrag van de op belanghebbendes inkomsten uit arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten gesteld op het forfaitaire bedrag van (in dit geval) ƒ 3538 (onderdeel 4.3 van 's Hofs uitspraak). Het heeft daarnaast ook een bedrag van ƒ 497,70 in aftrek toegestaan voor de kosten van negen reizen van Z naar R v.v. (onderdeel 4.2). Blijkens 's Hofs vaststellingen in laatstvermeld onderdeel - welke in cassatie niet zijn bestreden - gaat het hier niet om reiskosten als bedoeld in artikel 36, lid 2, letter a, van de Wet.

3.2. Aldus heeft het Hof miskend dat naast toepassing van de forfaitaire regeling van artikel 37 van de Wet geen plaats is voor aftrek van reiskosten, andere dan de in artikel 36, lid 2, letter a, bedoelde.

3.3. Het daarop betrekking hebbende middelonderdeel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat onvoldoende bewijs is geleverd om het oordeel te rechtvaardigen dat is gebleken dat het bedrag van de op de inkomsten uit arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten, met inbegrip van de reiskosten van Z naar R v.v., het forfaitaire bedrag van ƒ 3538 hebben overschreden. Dat bedrag is door de Inspecteur al in aanmerking genomen.

3.4. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2007.