Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA8048

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
41325
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5.22 Wet IB 2001. Overdracht woning onder voorbehoud recht van gebruik en bewoning. Waarde genotsrecht woning op basis van waarde in vrij opleverbare staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/262
V-N 2007/31.16 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.325

29 juni 2007

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 september 2004, nr. 03/01216, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. Belanghebbende heeft in 1990 de eigendom van haar woning overgedragen aan haar twee kinderen, onder het voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning. Een en ander is vastgelegd in een notariële akte. Na de eigendomsoverdracht is belanghebbende in de woning blijven wonen.

3.2. Voor het Hof was in geschil of, met het oog op de bepaling van de heffingsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen, de waarde van het recht van gebruik en bewoning moet worden afgeleid van de waarde van de onroerende zaak in vrij opleverbare staat (standpunt Inspecteur), dan wel van een lagere waarde omdat een waardedrukkend effect toegekend moet worden aan de bewoning van de onroerende zaak (standpunt belanghebbende).

3.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 5.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 18 en 19 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 wordt de waarde van een genotsrecht gesteld op het gekapitaliseerde bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid, waarbij die jaarlijkse voordelen worden gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen. In het onderhavige geval betekent dit dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woning in het economische verkeer, waarbij het recht van gebruik en bewoning moet worden weggedacht.

3.4. Waar het gaat om de waarde van een onroerende zaak waarin geregeld handel wordt gedreven, moet onder de waarde in het economische verkeer worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.

3.5. Indien, zoals in het onderhavige geval, bij de waardebepaling moet worden uitgegaan van de waarde van de woning waarbij het recht van gebruik en bewoning wordt weggedacht, dient - nu uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt van (een stelling inzake) enig ander gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen (markt-)gegadigden voor die woning - onder aanbieding op de meest geschikte wijze te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat.

3.6. 's Hofs oordeel dat de waarde van het genotsrecht moet worden afgeleid van de waarde van de onroerende zaak in vrij opleverbare staat is derhalve juist.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2007.