Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA7912

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
02201/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7912
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Weigeren verdachte om gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen. 2. Een omstandigheid a.b.i. art. 408.1 sub c Sv. Ad 1. In art. 588 Sv is niet voorzien in een bepaling die de weigering van verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van dat stuk in persoon, zoals bv. wel het geval is in art. 385.3 Sv. Ad 2. Het voorhouden van de "akte" op het politiebureau aan verdachte, levert niet zonder meer een omstandigheid op a.b.i. art. 408.1 sub c Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 385
Wetboek van Strafvordering 408
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 18
JOL 2007, 816
RvdW 2008, 23
NJB 2008, 184
NBSTRAF 2008/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

Strafkamer

nr. 02201/06

ABG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 april 2006, nummer 22/000141-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 28 november 2005, waarbij de verdachte ter zake van feit 1. "opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht" en 2. "wederspannigheid" is veroordeeld tot werkstraf voor een duur van veertig uren subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof een namens de verdachte in hoger beroep gedaan verzoek tot het doen horen van een getuige ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"De raadsman voert ter verdediging aan - zakelijk weergegeven -:

Mijn cliënt heeft niet willen tekenen op de akte van uitreiking. Het blijft een beetje onduidelijk of hij de dagvaarding heeft gelezen. Hij zegt dat hij niks heeft meegekregen van de politie. Cliënt zegt dat hij pas op de hoogte is geraakt van de veroordeling, toen hij een uitnodiging kreeg van de reclassering. Het is hier het woord van de verdachte tegen het woord van de desbetreffende politieagent. Ik verzoek om aanhouding van de zaak teneinde de agent te horen die de dagvaarding aan de verdachte heeft uitgereikt.

(...)

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van bedoelde getuige wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat het geen noodzaak ziet om de agent die de dagvaarding aan de verdachte heeft betekend als getuige te horen, nu op de akte van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg is aangegeven dat de verdachte heeft geweigerd om te tekenen voor uitreiking aan hem van de gerechtelijke brief, houdende die dagvaarding, en van het bijbehorende mededelingenformulier. Het hof leidt hieruit af dat toen op zijn minst gepoogd is deze stukken aan hem uit te reiken. Bovendien heeft de verdachte heden ter terechtzitting verklaard dat de akte hem op het politiebureau is voorgehouden."

3.3. Art. 408, eerste lid, Sv luidt:

"Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen (...) aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

(...)

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting (...) de verdachte tevoren bekend was."

3.4. Het Hof heeft de afwijzing van het verzoek doen steunen op een tweetal gronden. De eerste is ondeugdelijk, omdat 's Hofs vaststelling dat "toen op zijn minst is gepoogd deze stukken aan hem uit te reiken" niet zonder meer meebrengt dat sprake is van uitreiking van die dagvaarding in persoon. Daarbij verdient opmerking dat in art. 588 Sv niet is voorzien in een bepaling die de weigering van de verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van dat stuk in persoon, zoals bijvoorbeeld wel het geval is in art. 385, derde lid, Sv. Bij de tweede grond waarop het Hof de afwijzing heeft doen steunen, heeft het kennelijk het oog op art. 408, eerste lid onder c, Sv. Zijn oordeel dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, is evenwel niet zonder meer begrijpelijk. Dat de "akte" op het politiebureau aan de verdachte is voorgehouden, levert niet zonder meer een dergelijke omstandigheid op. Het Hof heeft de afwijzing van het in het middel bedoelde verzoek dan ook ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 december 2007.

Mr. Bakker is buiten staat dit arrest te ondertekenen.