Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA7657

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
01918/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7657
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag i.v.m. een ad-informandum feit. Het Hof heeft vastgesteld – hetgeen in cassatie niet wordt bestreden – dat de desbetreffende boormachine in beslag is genomen bij het onderzoek naar een ad-informandum gevoegd feit en dat verdachte heeft ontkend dat feit te hebben gepleegd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het Hof dat feit overeenkomstig de bestendige rechtspraak van de HR niet bij de strafoplegging heeft betrokken. Dat brengt mee dat t.z.v. dat feit geen sprake is van een van de in art. 353.1 Sv genoemde gevallen, zodat dat artikel toepassing mist. Het middel, dat zulks miskent, is vruchteloos voorgesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VA 2008/26 met annotatie van Silvis
NJ 2007, 529
JOL 2007, 603
RvdW 2007, 815
NJB 2007, 1971

Uitspraak

25 september 2007

Strafkamer

nr. 01918/06

SY/RR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 februari 2006, nummer 24/000962-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen" (gevangenis "Esserheem") te Veenhuizen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 28 april 2005 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 primair "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming", 2 subsidiair en 3 subsidiair, telkens: "opzetheling" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 27,50 en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen over een op de beslaglijst vermelde boormachine, althans dat het in strijd met art. 353 Sv heeft overwogen dienaangaande geen beslissing te kunnen nemen.

4.2. De bestreden uitspraak houdt onder de kop "Beslag" het volgende in:

"Het hof kan geen beslissing nemen over de op de beslaglijst vermelde boormachine (merk Black & Decker, 710 Watt, kleur zwart) aangezien deze boormachine in beslag is genomen naar aanleiding van het derde op de onderhavige tenlastelegging ad-informandum gevoegde feit, welk feit verdachte heeft ontkend."

4.3. Art. 353 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351,

a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;

b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of

c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende."

4.4. Het middel gaat uit van de opvatting dat, nu de strafzaak tegen de verdachte door de oplegging van straf is beëindigd, het Hof op de voet van art 353, eerste lid, Sv gehouden was een beslissing te nemen over de met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen boormachine.

4.5. Het Hof heeft vastgesteld - hetgeen in cassatie niet wordt bestreden - dat de desbetreffende boormachine in beslag is genomen bij het onderzoek naar een ad-informandum gevoegd feit en dat de verdachte heeft ontkend dat feit te hebben gepleegd.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat het Hof dat feit overeenkomstig de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad niet bij de strafoplegging heeft betrokken.

Dat brengt mee dat ter zake van dat feit geen sprake is van een van de in art. 353, eerste lid, Sv genoemde gevallen, zodat dat artikel toepassing mist. Het middel, dat zulks miskent, is vruchteloos voorgesteld.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 september 2007.