Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA7217

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
C06/089HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; vervolg op HR 4 oktober 2002, nr. C01/326, NJ 2002, 557. Vordering van uitzendbureau tegen verzekeraar tot verlenen dekking voor schadevergoeding aan zijn werknemer uit werkgeversaansprakelijkheid; uitleg van (uitsluitingsclausule in) polisvoorwaarden, maatstaf; ‘spiegelbeelddekking’ van AVB- en WAM-polissen; grenzen rechtsstrijd in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/157 met annotatie van W. Bouman
JOL 2007, 521
NJ 2007, 586 met annotatie van M.M. Mendel
RvdW 2007, 693
RAV 2007, 34
VR 2008, 81
NJB 2007, 1690
JWB 2007/261

Uitspraak

13 juli 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/089HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

UITZENDBUREAU EXCELLENT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. F.E. Vermeulen, thans mr. E.M. Tjon-En-Fa.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Excellent en AXA.

1. Het geding in feitelijke instanties

Excellent heeft bij exploot van 26 juni 2001 AXA gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat AXA in het onderhavige geval polisdekking dient te verlenen en AXA te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 40.198,76 met wettelijke rente.

AXA heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 juli 2003 de vorderingen toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft AXA hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 13 december 2005 heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van Excellent alsnog afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Excellent beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

AXA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Excellent mede door mr. E.C.M. Hurkens, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het arrest van het hof met verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Ten tijde van het na te noemen ongeval had Excellent een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven en beroepen afgesloten bij een rechtsvoorganger van AXA. Excellent was onder die verzekering verzekerd in haar hoedanigheid van uitzendbureau.

(ii) Ter zake van de dekking is in de op die overeenkomst toepasselijke Verzekeringsvoorwaarden AB 9000 onder meer bepaald:

"Artikel 2 Dekking

2.1 Omschrijving van de dekking

a Aansprakelijkheid/hoedanigheid

Verzekerd is de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade die is veroorzaakt binnen de verzekerde hoedanigheid (....).

Artikel 3 Uitsluitingen

Niet is verzekerd de aansprakelijkheid:

(....)

3.3 Motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen

voor schade verbandhoudende met een motorrijtuig, vaartuig of luchtvaartuig dat verzekerde bezit, houdt, bestuurt, gebruikt of als werkgever doet of laat gebruiken;

daarentegen is wel verzekerd de aansprakelijkheid:

(....)

d. van verzekeringnemer als werkgever voor schade veroorzaakt door ondergeschikten bij gebruik in zijn dienst van een motorrijtuig, dat niet aan hem toebehoort of aan hem is toevertrouwd."

(iii) Bij Excellent is sinds februari 1996 als uitzendkracht in dienst geweest [betrokkene 1]. In maart 1996 was hij uitgeleend aan Ebrex B.V., een bedrijf gevestigd op het terrein van Seaport Terminals B.V. in de Waalhaven te Rotterdam. Op 6 maart 1996 is de destijds 25-jarige [betrokkene 1], toen hij tijdens zijn werk als documentenbezorger op een hem door Ebrex ter beschikking gestelde bromfiets op weg was van het kantoor van Ebrex naar de uitgang van het bedrijfsterrein, in botsing gekomen met een door een werknemer van Seaport Terminals B.V. bestuurde zogenaamde reachstacker (containerhefwagen). Hij is daarbij ernstig gewond geraakt. Zijn linkerarm moest tot circa tien centimeter onder het schoudergewricht worden geamputeerd en zijn linkeronderbeen was verbrijzeld.

(iv) [Betrokkene 1] heeft Excellent als zijn werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor alle ten gevolge van het ongeval geleden schade. Bij vonnis van 12 november 1999 heeft de kantonrechter te Rotterdam het als een tekort in zorg voor de veiligheid van [betrokkene 1] beschouwd dat Ebrex hem op het gevaarlijke bedrijfsterrein heeft laten rijden op een bromfiets en niet in een auto. Ervan uitgaande dat Excellent voor een eventueel tekortschieten van Ebrex ter zake van de veiligheidsverplichtingen aansprakelijk is alsof het een tekortschieten van haarzelf betreft, heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Excellent aansprakelijk is voor de door [betrokkene 1] geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval, Excellent veroordeeld om bij wijze van voorschot op het smartengeld een bedrag van ƒ 20.000,-- te betalen en Excellent veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Dit oordeel is in hoger beroep en in cassatie (HR 4 oktober 2002, nr. C01/326, NJ 2002, 557) op de in dit geding van belang zijnde punten in stand gebleven.

3.2 Excellent vordert, kort gezegd, veroordeling van AXA dekking te verlenen voor de schade die Excellent in verband met het hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde ongeval heeft vergoed en nog zal moeten vergoeden. De rechtbank heeft die vordering toegewezen, maar het hof heeft het beroep van AXA op de in art. 3.3 van de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde polisvoorwaarden neergelegde uitsluiting gegrond geoordeeld en de vorderingen daarom afgewezen. Het hof heeft daartoe (in rov. 15) overwogen - na te hebben vooropgesteld (rov. 14) dat het bij de uitleg van een polisvoorwaarde aankomt op de zin die partijen bij de verzekeringsovereenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten - dat de tekst van art. 3.3 niet eraan in de weg staat Excellent, de formele werkgever van [betrokkene 1], aan te merken als werkgever in de zin van die bepaling, alsmede dat een andere uitleg tot het ongewenste resultaat zou leiden dat de aansprakelijkheid van Excellent als formele werkgever jegens een in haar dienst zijnde uitzendkracht wel gedekt is, maar zij zich aan de aan de verzekering gestelde beperkingen zou kunnen onttrekken door te stellen dat van een werkgeverschap in de zin van de uitsluiting geen sprake is. Daaraan doet niet af, aldus het hof, dat Excellent geen invloed heeft gehad op het ter beschikking stellen van het motorrijtuig aan [betrokkene 1], nu gesteld noch gebleken is dat Excellent [betrokkene 1] het gebruik van de bromfiets heeft verboden. Het hof overwoog voorts dat niet valt in te zien dat de uitsluitingen in de polisvoorwaarden die gelden voor de aansprakelijkheidsverzekering van een materiële werkgever, niet eveneens gelden voor een formele werkgever, hetgeen naar 's hofs oordeel temeer klemt, omdat naar uit literatuur en jurisprudentie blijkt, aan de in het geding zijnde uitsluiting ten grondslag ligt dat het motorrijtuigenrisico voor de AVB-polis een te hoog risico vormt en dat voor dit risico een zelfstandige polis is ontwikkeld (werkmateriaal- of landmateriaalverzekering). Daaraan voegde het hof ten slotte nog toe dat ook geen andere feiten of omstandigheden waren gesteld die de door Excellent voorgestane uitleg rechtvaardigen.

3.3.1 Voor zover de laatste alinea van onderdeel 2.3 in verbinding met onderdeel 2.4 klaagt - onder verwijzing naar hetgeen de kantonrechter over het tekortschieten in zorg voor de veiligheid van [betrokkene 1] heeft overwogen - over het passeren door het hof van de stelling van Excellent dat de schade, anders dan voor toepassing van de uitsluitingsclausule van art. 3.3 vereist is, in het onderhavige geval geen 'verband houdt met een motorrijtuig', stuit die klacht daarop af dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk een verweer van die strekking niet in de stellingen van Excellent heeft gelezen.

3.3.2 De onderdelen 2.3, 2.4 en 2.5 lenen zich voor het overige voor gezamenlijke behandeling. Zij klagen onder meer over onbegrijpelijkheid van de verwerping van het standpunt van Excellent dat de schade niet onder enige WAM-polis, en dus ook niet onder de hare, is gedekt en dat een gelijkschakeling van materiële en formele werkgever in artikel 3.3 van de polisvoorwaarden ertoe leidt dat het normale werkgeversrisico van art. 7:658 BW, voor zover samenhangend met schade waarbij een motorrijtuig betrokken is geweest, voor Excellent - die immers, als uitzendbureau, niet de eigenaar, bezitter of houder is van het motorrijtuig waarmee de schade in verband staat - onverzekerbaar is.

Deze klachten zijn gegrond. Zoals valt af te leiden uit hetgeen in 3.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is vermeld omtrent hetgeen in literatuur en rechtspraak wordt geleerd omtrent de 'spiegelbeeld-dekking' van AVB- en WAM-polissen, wordt met de formulering van de uitsluitingen in aansprakelijkheidspolissen ter zake van het gebruik van motorrijtuigen beoogd de dekking die die polissen bieden zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de dekking van WAM-verzekeringen, zodat er zo min mogelijk overlappingen of lacunes in de dekking bestaan. Tegen die achtergrond klagen de onderdelen terecht over de verwerping door het hof van het betoog van Excellent dat de door AXA voorgestane uitleg van de uitsluiting van art. 3.3 tot gevolg heeft dat voor een uitzendbureau als Excellent een risico zoals zich dat in deze zaak heeft verwezenlijkt en waarvoor WAM-polissen geen dekking bieden, onverzekerbaar is. Voor zover het hof bedoeld mocht hebben dat in die leemte wordt voorzien door werkmateriaal- of landmateriaalverzekeringen, kan ook dat oordeel niet ertoe bijdragen dat de beslissing toereikend is gemotiveerd. Naar onderdeel 2.5 terecht aanvoert, is een verweer van die strekking door AXA niet gevoerd, zodat het hof met die overweging buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, terwijl, indien het hof mocht hebben beoogd met die overweging een feit van algemene bekendheid of een ervaringsregel aan zijn oordeel ten grondslag te leggen, 's hofs oordeel niet in stand kan blijven omdat het door het hof bedoelde feit niet als van algemene bekendheid kan worden beschouwd, onderscheidenlijk een ervaringsregel van die inhoud niet bestaat.

3.3.3 Ook onderdeel 2.2 is gegrond, voor zover daarin wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat het resultaat van de door Excellent bepleite uitleg van art. 3.3 van de polisvoorwaarden - te weten dat enerzijds de aansprakelijkheid van Excellent als formele werkgever jegens een bij haar in dienst zijnde uitzendkracht gedekt is onder de AVB-polis, maar dat zij zich anderzijds aan de aan de verzekering van die aansprakelijkheid gestelde beperkingen zou kunnen onttrekken door te stellen dat van werkgeverschap in de zin van de polisvoorwaarden geen sprake is - als een ongewenst resultaat moet worden aangemerkt, waaraan het hof een grond ontleent voor de verwerping van de door Excellent bepleite uitleg van de uitsluitingsclausule.

De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 december 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt AXA in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Excellent begroot op € 841,05 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 13 juli 2007.