Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA6851

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
00471/07 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Aan aanvrager is bij arrest waarvan herziening wordt gevraagd onder meer TBS met voorwaarden opgelegd. Het Hof heeft bij zijn oordeel omtrent de oplegging van deze maatregel – naast onder meer een rapport van een forensisch psychiater waarin wordt geadviseerd tot TBS – ook een deskundigenrapport van forensisch psycholoog X betrokken. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek ttz “zou hebben geleid tot een ander vonnis”, indien het Hof bekend was geweest met een bij de aanvrage gevoegde uitspraak van het Regionale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen van 20-11-2006. In die uitspraak is geoordeeld dat het rapport van X niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld en onvoldoende professioneel is en dat het niveau van het rapport in zijn geheel ver onder de maat is. Daaraan wordt door aanvrager de gevolgtrekking verbonden dat sprake is van een novum nu aanvrager is “veroordeeld op basis van een juridisch ondeuglijke rapportage” en derhalve niet is voldaan aan de eis zoals gesteld in art. 37a jo. art. 37.2 Sr. Hetgeen in de aanvrage is aangevoerd kan echter niet een ernstig vermoeden wekken i.d.z.v. art. 457.1 onder 2° Sv. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder “eene minder zware strafbepaling” i.d.z.v. art. 457.1 onder 2° Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 425
NJ 2007, 346
RvdW 2007, 618
NJB 2007, 1484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007

Strafkamer

nr. 00471/07 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 augustus 2004, nummer 24/000274-04, ingediend door mr. W.J. Ausma, advocaat te Nieuwegein, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de aanvrage verblijvende in de Forensisch Psychiatrische Kliniek "Oldenkotte" te Eibergen.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 23 februari 2004 - de aanvrager ter zake van 1 subsidiair "feitelijke aanranding van de eerbaarheid", 2. "schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats voor het openbaar verkeer bestemd" en 3. "schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats terwijl een ander zijns ondanks tegenwoordig is" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden en gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld onder de voorwaarden zoals in het arrest vermeld. Het Hof heeft tevens de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. Aan de aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt gevraagd onder meer de maatregel van terbeschikkingstelling onder bepaalde voorwaarden opgelegd. Het Hof heeft bij zijn oordeel omtrent de oplegging van deze maatregel - naast onder meer een rapport van een forensisch psychiater waarin wordt geadviseerd tot terbeschikkingstelling - ook een deskundigenrapport van forensisch psycholoog G. de Jong betrokken. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting "zou hebben geleid tot een ander vonnis", indien het Hof bekend was geweest met een bij de aanvrage gevoegde uitspraak van het Regionale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen van 20 november 2006. In die uitspraak is - kort gezegd - geoordeeld dat het rapport van G. de Jong niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld en onvoldoende professioneel is en dat het niveau van het rapport in zijn geheel ver onder de maat is. Daaraan wordt door de aanvrager de gevolgtrekking verbonden dat sprake is van een novum nu de aanvrager is "veroordeeld op basis van een juridisch ondeugdelijke rapportage" en derhalve niet is voldaan aan de eis zoals gesteld in art. 37a Sr in verbinding met art. 37, tweede lid, Sr.

3.3. Hetgeen in de aanvrage is aangevoerd kan echter niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aangevoerde omstandigheid kan immers niet tot gevolg hebben dat, ware het Hof daarmee bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder "eene minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 12 juni 2007.