Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA6575

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
02869/06 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA6575
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke immuniteit gemeente. Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam a.b.i. H. 7 Gw dient slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen (vgl. HR LJN AA9342, Pikmeer II). O.g.v. art. 10.16a.1 Wet milieubeheer draagt elke gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen. Het hebben van die zorgplicht betekent echter nog niet dat het feitelijk inzamelen en transporteren van afvalwater niet door anderen dan bestuursfunctionarissen kan worden verricht. Daarom kunnen het feitelijke inzamelen en transporteren (waaronder ook het tenlastegelegde overstorten dient te worden begrepen) van afvalwater niet worden beschouwd als gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. Dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater bij de gemeente blijft liggen kan daaraan niet afdoen. De overwegingen van het Hof dienen in het licht van het bovenstaande te worden begrepen.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 7
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.16a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 364
NBSTRAF 2007/364
JOL 2007, 580
RvdW 2007, 799
NJ 2007, 512
NJB 2007, 1926

Uitspraak

18 september 2007

Strafkamer

nr. 02869/06 B

RR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 april 2006, nummer 11/006229-02, op een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden beschikking

Het hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beschikking van de Rechtbank te Dordrecht - het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.M. Sjöcrona en mr. C.W. Noorduyn, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Procesgang

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) de verdachte, een Nederlandse gemeente, maakte ten behoeve van haar rioleringssysteem gebruik van een zogenaamde overstort. Een dergelijke overstort heeft als functie om in geval van uitzonderlijke toestroom van (regen)water in het rioleringsstelsel het overtollige rioolwater weg te laten lopen in het oppervlaktewater;

(ii) het Openbaar Ministerie heeft de verdachte gedagvaard voor:

1. het al dan niet opzettelijk zonder vergunning met behulp van een van het gemeentelijke rioolstelsel deel uitmakend werk afvalstoffen (rioolwater) in het oppervlaktewater brengen (art. 1, eerste lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren); en

2. het niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om verontreiniging van de (onderwater)bodem te voorkomen of te beperken (art. 13 Wet bodembescherming);

(iii) tegen deze dagvaarding heeft de verdachte bij de Rechtbank te Dordrecht een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv ingediend. De Rechtbank achtte het bezwaarschrift gegrond;

(iv) het Openbaar Ministerie heeft tegen de beschikking van de Rechtbank hoger beroep ingesteld;

(v) het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 5 april 2006 de beschikking van de Rechtbank vernietigd en het bezwaarschrift van de verdachte ongegrond verklaard.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte geen strafrechtelijke immuniteit geniet.

4.2. De bestreden beschikking houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Beoordeling van het hoger beroep

Het hof verenigt zich niet met de beschikking waarvan beroep en zal deze daarom vernietigen.

Bij de behandeling in hoger beroep is, voorzover hier van belang, het volgende komen vast te staan.

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen, in welke vorm dan ook, in het oppervlaktewater gebracht te hebben (feit 1) en tevens de (onderwater)bodem ter plaatse te hebben verontreinigd (feit 2).

Een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet kan overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad enkel immuniteit genieten in die gevallen dat kan worden vastgesteld dat de desbetreffende gedraging naar haar aard en gelet op het wettelijke systeem rechtens niet anders dan door bestuursorganen kan worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbare lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbare lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.

De raadsvrouw heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding in raadkamer gepersisteerd bij hetgeen in de pleitnota in eerste aanleg is gesteld. Voorts heeft zij enkele standpunten aangevuld. Het hof zal, indien nodig, deze standpunten bespreken. Omdat het onder 2 tenlastegelegde direct samenhangt met het onder 1 tenlastegelegde, wordt dit niet apart besproken. Waar het hof spreekt over de overstort doelt het hof mede op de gevolgen van lozen uit die overstort.

Namens de verdachte is in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het aan de gemeente Zederik verweten lozen van overstortwater als uitvloeisel heeft te gelden van het beheer van een rioolstelsel en de gemeente, met uitsluiting van alle anderen, wettelijk de zorg opgedragen heeft gekregen voor aanleg en beheer van rioleringen en deze gedraging ook naar haar aard een taak van de gemeente is, daar het publieke zorg betreft.

Voorts heeft zij aangevoerd dat de riooloverstort een onlosmakelijk onderdeel van een rioolstelsel is en dat deze wijze van transport naar het oppervlaktewater algemeen aanvaard is.

Artikel 10.16a, lid 1, van de Wet milieubeheer, dat hier van toepassing is, bepaalt: "Elke gemeente draagt zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen."

Het hof ziet op grond van deze bepaling het transport van afvalwater door rioolbuizen als een exclusief aan de gemeente opgedragen taak. Anders dan de raadsvrouw stelt acht het hof de overstort geen (doelmatig) onderdeel van het gemeentelijke rioolstelsel. Uit het dossier en mededelingen in de raadkamer is gebleken dat een rioolstelsel uitstekend zonder overstort kan functioneren, ook in dit geval, wat blijkt uit het feit dat de omstreden overstort inmiddels gesloten is en niet is vervangen. Dit blijkt geen problemen op te leveren voor het transport in de riolering. Wanneer een particulier (bedrijf) in aansluiting op het gemeentelijk stelsel een riolering heeft, zou een overstort, en dus het tenlastegelegde in beginsel overigens even goed mogelijk zijn, al dan niet met vergunning. De overstort is dan ook geen aan de overheid voorbehouden werk ter uitvoering van een exclusieve overheidstaak.

Op grond van het voorstaande kan de verdachte geen beroep doen op immuniteit van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het tenlastegelegde.

(...)"

4.3. Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet dient slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen (vgl. HR 6 januari 1998, LJN AA9342, NJ 1998, 367, Pikmeer II).

4.4. Art. 10.16a, eerste lid, Wet milieubeheer, luidde van 1 maart 1996 tot en met 7 mei 2002 als volgt:

"Elke gemeente draagt zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen."

4.5.1.Op grond van die bepaling draagt elke gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen. Het hebben van die zorgplicht betekent echter nog niet dat het feitelijk inzamelen en transporteren van afvalwater niet door anderen dan bestuursfunctionarissen kan worden verricht.

4.5.2.Daarom kunnen het feitelijk inzamelen en transporteren (waaronder ook het tenlastegelegde overstorten dient te worden begrepen) van afvalwater niet worden beschouwd als gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. Dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater bij de gemeente blijft liggen kan daaraan niet afdoen. De overwegingen van het Hof dienen in het licht van het bovenstaande te worden begrepen. Aldus bezien getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.

4.6. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2007.