Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA6415

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
43110
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA6415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9.2, lid 7, Wet IB 2001. Beperking verrekening dividendbelasting geldt ook voor partieel buitenlandse belastingplichtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/61 met annotatie van R.M. FREUDENTHAL
FED 2008/22 met annotatie van R.P.C.W.M. BRANDSMA
Belastingadvies 2007/21.8
V-N 2007/47.8 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2007, 65
FutD 2007-1914
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.110

12 oktober 2007

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 februari 2006, nr. 04/04884, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 15 mei 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde en werkte gedurende een aaneengesloten periode van ongeveer tien jaar in het buitenland. Sinds 1 januari 1994 woont en werkt belanghebbende in Nederland. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende op de voet van artikel 2.6 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 11 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 gekozen voor gedeeltelijke toepassing van de regels van de Wet IB 2001 voor buitenlandse belastingplichtigen. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende verzocht een bedrag van € 31.007 aan dividendbelasting te verrekenen. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag alleen de vóór 22 juli 2002 ingehouden dividendbelasting, zijnde een bedrag van € 30.229, verrekend.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag terecht een bedrag van € 778 aan geheven dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking heeft genomen. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3. Ingevolge lid 7 van het met ingang van 22 juli 2002 geldende artikel 9.2 Wet IB 2001 (tekst geldend tot 1 januari 2006) wordt voor buitenlandse belastingplichtigen, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.2, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft voor wat betreft de heffing over zijn inkomen in box 3 gekozen voor toepassing van de wettelijke regels voor buitenlandse belastingplichtigen. Tot die regels behoort ook voormeld artikel 9.2, lid 7, Wet IB 2001, zodat deze bepaling op belanghebbende van toepassing is. Nu, naar in cassatie niet in geschil is, de geheven dividendbelasting geen betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen van belanghebbende, is de na 22 juli 2002 ingehouden dividendbelasting terecht niet als voorheffing in aanmerking genomen.

's Hofs oordeel is mitsdien juist. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2007.