Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA5856

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
02579/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA5856
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2006:AV3154, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot het door een psychiater en/of een psycholoog laten opmaken van een rapport omtrent de persoon van verdachte is een verzoek aan de rechter a.b.i. art. 328 Sv jo. art. 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken. De opvatting in het middel dat het i.c. gedane verzoek moet worden gelijkgesteld met een opgave van “een getuige/deskundige” a.b.i. art. 410.3 Sv is onjuist. Art. 410.3 Sv ziet niet op een verzoek als hier is gedaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 331
Wetboek van Strafvordering 410
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2007, 673
JOL 2007, 459
NBSTRAF 2007/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2007

Strafkamer

nr. 02579/06

SG/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2006, nummer 22/004825-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 11 augustus 2005 - de verdachte ter zake van "opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 750,- en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft mr. P. Meijer, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de benadeelde partij heeft schriftelijk commentaar gegeven op het derde middel van de verdachte.

2.2. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel van de verdachte

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot het door een psychiater en/of een psycholoog laten opmaken van een rapport omtrent de persoon van de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2.1. In het aan de Hoge Raad toegezonden strafdossier bevinden zich de volgende stukken:

- een appelschriftuur van 17 augustus 2005, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"Appellant heeft aangevoerd middels zijn raadsman dat hij door een psycholoog/psychiater onderzocht dient te worden i.v.m. zijn toerekeningsvatbaarheid hetgeen de rechtbank heeft afgewezen."

- een brief van de voorzitter van de strafsector van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2005 aan de raadsman van de verdachte, die onder meer inhoudt:

"Hierbij verzoek ik u om uiterlijk een week voor de zitting schriftelijk aan het Hof de informatie te doen toekomen als bedoeld in (in ieder geval) punt 5 en 6 van de bijlage."

- de hiervoor bedoelde bijlage waarin onder 5 is opgenomen:

"Aan de raadslieden wordt gevraagd in elke zaak per brief van tevoren aan te geven of het voornemen bestaat op enig moment preliminaire verweren te voeren en/of nadere onderzoekshandelingen te vragen en daarbij met redenen omkleed een indicatie te geven van de omvang van de verzoeken en het geschatte tijdsbeslag. Bij verwijzing naar een zitting waarop de zaak geheel of gedeeltelijk inhoudelijk zal worden behandeld zal met deze informatie rekening worden gehouden."

- een faxbericht van de raadsman van de verdachte van 12 december 2005 gericht aan de strafgriffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin de raadsman in antwoord op de brief van de voorzitter van de strafsector van 8 december 2005 verwijst naar de appelschriftuur van 17 augustus 2005.

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2006 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede de korte inhoud van een schrijven d.d. 12 december 2005 waarin de raadsman verwijst naar zijn appelschriftuur d.d. 17 augustus 2005, inhoudende een verzoek om een rapport over de persoon van de verdachte op te laten maken door een psycholoog en/of een psychiater.

De raadsman deelt mede dat hij persisteert bij dit verzoek.

De advocaat-generaal verzet zich vooralsnog tegen dit verzoek van de raadsman, aangezien hij in het voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Nederland voldoende aanknopingspunten vindt om niet tot een dergelijk onderzoek te komen.

De voorzitter deelt mede dat op het verzoek van de raadsman thans nog niet zal worden beslist. Het hof beschouwt dit verzoek als een vooraankondiging.

De voorzitter merkt op dat het concrete verzoek tijdig voor de volgende zitting aan de advocaat-generaal moet worden gedaan."

3.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 februari 2006 houdt onder meer het volgende in:

"De raadsman verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een rapport over de persoon van de verdachte op te laten maken door een psycholoog en/of een psychiater met het oog op de vraag of verdachte, die op het moment van het plegen van het feit zwaar onder invloed van alcohol verkeerde, besefte wat hij deed en of het feit verdachte kan worden toegerekend.

De voorzitter deelt mede dat het hof bij eindarrest zal beslissen omtrent het verzoek tot aanhouding.

De raadsman gaat daarmee akkoord."

3.2.4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verzoek als volgt afgewezen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een rapport over de persoon van de verdachte op te laten maken door een psycholoog en/of een psychiater met het oog op de vraag of verdachte, die op het moment van het plegen van het feit zwaar onder invloed van alcohol verkeerde, besefte wat hij deed en of het feit verdachte kan worden toegerekend.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman af.

Het hof acht de noodzaak tot deskundigenonderzoek niet aanwezig, mede gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte welbewust en planmatig gehandeld heeft."

3.3. Het door de raadsman gedane verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 in verbinding met 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken.

Het middel berust in het primaire onderdeel op de opvatting dat een dergelijk verzoek moet worden gelijkgesteld met een opgave van "een getuige/deskundige" als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv.

Daarvan uitgaande strekt het middelonderdeel kennelijk ten betoge dat het Hof, nu het desbetreffende verzoek reeds bij appelschriftuur was gedaan en gelet op het bepaalde in art. 418, derde lid, Sv, de in art. 288, eerste lid sub c, Sv voorziene maatstaf had dienen te hanteren. De opvatting waarop dit onderdeel van het middel steunt, is onjuist. Art. 410, derde lid, Sv ziet niet op een verzoek als hier is gedaan.

Ook het subsidiaire onderdeel van het middel faalt. Het Hof heeft de in het middel bestreden beslissing toereikend gemotiveerd.

3.4. Het middel faalt.

4. Beoordeling van de overige middelen van de verdachte

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het middel van de benadeelde partij

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 juni 2007.