Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA5835

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
01906/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA5835
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 423.4 Sv. Partieel appel. Het Hof heeft voor een in eerste aanleg berecht feit, waarbij enkel voor dat feit de bijkomende straf was uitgesproken en dat feit wegens de beperking van het hoger beroep niet aan het oordeel van het Hof was onderworpen, de bijkomende straf verzwaard. Daarbij heeft het Hof miskend dat art. 423.4 Sv uitsluitend een regeling geeft voor het in die bepaling omschreven geval, te weten dat in eerste aanleg voor de daar berechte feiten een hoofdstraf is uitgesproken en wegens de beperking van het hoger beroep tot een of meer van die feiten, in geval van vernietiging t.a.v. de straf de noodzaak ontstaat ook de hoofdstraf voor het feit of die feiten waartoe het hoger beroep zich niet heeft uitgestrekt opnieuw te bepalen (vgl. HR LJN AD0875). Daaruit volgt dat het aan het Hof niet vrijstond aan de bijkomende straf, zoals door de PR opgelegd, te tornen. De HR doet de zaak zelf af en verstaat dat de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd als door de PR is bepaald.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 423
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 358
NBSTRAF 2007/358
NJ 2007, 492
JOL 2007, 541
RvdW 2007, 777
NJB 2007, 1862

Uitspraak

4 september 2007

Strafkamer

nr. 01906/06

ZK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 2006, nummer 20/008430-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 10 maart 2006 - voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/101393-04 onder 2 tenlastegelegde. Voorts heeft het Hof de aan de verdachte voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten de opgelegde straf bepaald op een geldboete van duizend euro, subsidiair twintig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen doch uitsluitend voor zover daarbij is bepaald dat de verdachte ter zake van het onder parketnummer 03/101375-04 bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden is ontzegd, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof in strijd heeft gehandeld met art. 423, vierde lid, Sv omdat het Hof ter zake van een niet aan zijn oordeel onderworpen feit de bijkomende straf heeft verzwaard, terwijl er geen sprake is van cumulatie van bijkomende straffen.

3.2. In eerste aanleg is ter zake van het onder parketnummer 03/101375-04 bewezenverklaarde feit een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd van zes maanden, met aftrek overeenkomstig art. 179, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.3. Het bestreden arrest houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens de appelakte en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-101393-04 onder 2 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het gerechtshof hierna tevens voor de overige, door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten, gelet op artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, na te melden beslissing zal nemen.

(...)

Op te leggen straffen

Het hof zal, gelet op artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, een straf bepalen ten aanzien van de niet aan zijn oordeel onderworpen door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten.

(...)

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof terzake van het feit onder 03-101375-04 en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

(...)

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 03-101393-04 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt de aan de veroordeelde opgelegde hoofdstraf voor de niet aan het oordeel van het hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten, bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 03-101375-04 en 03-101393-04 onder 1 op een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte tevens terzake van het onder parketnummer 03-101375-04 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht."

3.4. Artikel 423, vierde lid, Sv luidt:

"Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald."

3.5. Het Hof heeft voor een in eerste aanleg berecht feit, waarbij enkel voor dat feit de bijkomende straf was uitgesproken en dat feit wegens de beperking van het hoger beroep niet aan het oordeel van het Hof was onderworpen, de bijkomende straf verzwaard. Daarbij heeft het Hof miskend dat art. 423, vierde lid, Sv uitsluitend een regeling geeft voor het in die bepaling omschreven geval, te weten dat in eerste aanleg voor de daar berechte feiten een hoofdstraf is uitgesproken en wegens de beperking van het hoger beroep tot een of meer van die feiten, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf de noodzaak ontstaat ook de hoofdstraf voor het feit of die feiten waartoe het hoger beroep zich niet heeft uitgestrekt opnieuw te bepalen (vgl. HR 18 september 1989, LJN AD0875, NJ 1990, 59). Daaruit volgt dat het aan het Hof niet vrijstond aan de bijkomende straf, zoals door de Politierechter opgelegd, te tornen.

3.6. Het middel treft doel.

3.7. De Hoge Raad vindt in het vorenoverwogene aanleiding de zaak zelf af te doen.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging voor zover daarbij met betrekking tot parketnummer 03/101375-04 de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd;

verstaat dat de verdachte - in de zaak met parketnummer 03/101375-04 - de bevoegdheid is ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 4 september 2007.