Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA5800

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
28-09-2007
Zaaknummer
C06/110HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA5800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; geschil tussen voormalige echtelieden over verdeling van ontbonden huwelijksgemeenschap; voldoende geconcretiseerd en gespecificeerd bewijsaanbod in appel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 621
RvdW 2007, 811
NJ 2007, 524
RFR 2007, 121
NJB 2007, 1964
FJR 2008, 49
JWB 2007/309

Uitspraak

28 september 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/110HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

De man heeft bij exploot van 30 mei 2002 de vrouw gedagvaard voor de rechtbank Roermond en gevorderd, kort gezegd, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uit te spreken met inachtneming van het gestelde in de inleidende dagvaarding onder punt 2 tot en met 15.

De vrouw heeft eveneens geconcludeerd tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de wijze zoals omschreven in haar conclusie van antwoord.

De rechtbank heeft, na een tweetal tussenvonnissen van 29 augustus 2002 en 7 mei 2003, bij eindvonnis van 27 augustus 2003 de verdeling vastgesteld.

Tegen het tussenvonnis van 7 mei 2003 en het eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 6 december 2005 heeft het hof in het principale en het incidentele hoger beroep de vonnissen van 7 mei 2003 en 27 augustus 2003 van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de schulden van de gemeenschap toegedeeld op de wijze als onder rov. 4.25 aangegeven, de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 3.378,48, de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 876,-- binnen één maand nadat de man de voormalige echtelijke woning zal hebben ontruimd en de inboedelzaken verdeeld zoals aangegeven in rov. 4.18.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De man en de vrouw zijn op 20 augustus 1991 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen is echtscheiding uitgesproken bij op 22 februari 2001

in de registers van de Burgerlijke Stand ingeschreven beschikking van de rechtbank van 2 november 2000.

3.2.1 De man heeft verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap gevorderd. In cassatie spelen alleen nog de hierna in 3.2.2 en 3.2.3 geschetste kwesties.

3.2.2 De man heeft gesteld dat zijn vader hem een bedrag, groot ƒ 24.920,-- (€ 11.308,20), heeft geleend. Ten bewijze daarvan heeft de man twee tussen hem en zijn vader opgemaakte onderhandse akten in het geding gebracht, waarin zijn vader verklaart hem deze gelden ter leen te hebben verstrekt. De vrouw heeft deze verklaringen betwist.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestaan van de leningen rechtens als vaststaand moet worden aangemerkt en dat het totaalbedrag van € 11.308,20 als schuld van de huwelijksgemeenschap dient te worden meegenomen in de verdeling. Het hof daarentegen heeft geoordeeld dat de akten ten opzichte van de vrouw geen dwingend bewijs opleveren van de waarheid van de daarin opgenomen verklaringen, zodat het bestaan van de geldlening(en) behoudens door de man te leveren aanvullend bewijs niet is komen vast te staan. Dit aanvullend bewijs ontbreekt, aldus het hof, en de man heeft met betrekking tot het bestaan van de overeenkomst(en) van geldlening geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Het hof heeft derhalve het vonnis van de rechtbank op dit punt vernietigd en de verdeling aangepast.

3.2.3 De man heeft voorts gesteld dat de vrouw over een bedrag aan contanten, groot ƒ 18.500,--, beschikte dat zou zijn overgespaard uit door haar vader geschonken bedragen ter hoogte van in totaal ƒ 25.000,-- en dat zij dit bedrag aan contanten bij haar vertrek uit de echtelijke woning zou hebben meegenomen. De vrouw heeft niet betwist dat haar vader een bedrag van ƒ 25.000,-- heeft geschonken. Zij heeft gesteld dat het geld in gedeelten aan partijen is verstrekt, dat partijen van deze gelden schulden bij Visa, Rabobank en ABN AMRO Bank hebben afgelost en dat zij aldus de door de vader ter beschikking gestelde gelden geheel hebben opgemaakt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man van zijn stelling geen (voldoende concreet) bewijs heeft aangeboden, terwijl er bovendien geen enkele aanwijzing is voor de juistheid van de stellingen van de man, en heeft voorts geoordeeld dat de schenkingen van de vader van de vrouw door partijen zijn verteerd en niet meer in de verdeling behoeven te worden meegenomen. Het hof heeft de tegen deze oordelen gerichte grief verworpen, waarbij het heeft overwogen dat, gelet op enerzijds de (geringe) inkomsten van de gemeenschap in het tijdvak tot de peildatum (1 februari 2000) en anderzijds de omvang van de op die datum openstaande schulden, voorshands als vaststaand kan worden aangenomen dat op de peildatum de geschonken bedragen inderdaad waren verteerd. De man heeft slechts in algemene termen bewijs aangeboden en dit bewijsaanbod is zodanig weinig concreet dat het hof geen gronden aanwezig acht om de man toe te laten tot bewijslevering.

3.3 Middel I, gericht tegen het onder 3.2.2 weergegeven oordeel van het hof dat de man van de waarheid van de in de akten opgenomen verklaringen geen specifiek bewijs heeft aangeboden, slaagt. Het in eerste aanleg gedane en in hoger beroep als herhaald te beschouwen bewijsaanbod betreffende het bestaan van de leningen specificeert de getuigen die kunnen worden gehoord, onder wie de vader van de man, en is, gelet op de omstandigheden a dat de man reeds schriftelijke verklaringen van de vader heeft overgelegd met betrekking tot de door de man gestelde leningen en b dat uit het processuele debat van partijen duidelijk is dat de man de vader alleen als getuige heeft genoemd met het oog op hetgeen deze zou kunnen verklaren over de kwestie van de geldleningen, ook wat betreft de te bewijzen stellingen van de man voldoende specifiek. Het hof heeft mitsdien het bewijsaanbod van de man ten onrechte gepasseerd.

3.4 Middel II, met een rechts- en motiveringsklacht gericht tegen het in 3.2.3 weergegeven oordeel van het hof dat het bewijsaanbod van de man zodanig weinig concreet is dat het geen gronden aanwezig achtte de man tot bewijs toe te laten, slaagt niet. De man heeft in de eerste aanleg onder anderen zichzelf als te horen getuige genoemd doch niet duidelijk gemaakt op welke van zijn stellingen dit aanbod betrekking heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man op dit punt geen voldoende concreet bewijs heeft aangeboden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de man zijn bewijsaanbod in hoger beroep nader heeft geconcretiseerd. Gezien dit alles geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Het middel klaagt daarnaast nog dat, waar de man onweersproken heeft gesteld dat de laatste schenking (groot ƒ 5.000,--) van de vader van de vrouw dateert van 4 januari 2000, onbegrijpelijk is dat het hof ook ten opzichte van deze schenking heeft geoordeeld dat dit bedrag in zijn geheel was verteerd op de peildatum (1 februari 2000), gelet op het tijdsverloop tot de peildatum. Het hof heeft echter geoordeeld dat, gelet op enerzijds de (geringe) inkomsten van de gemeenschap in het tijdvak tot de peildatum en anderzijds de omvang van de op die datum openstaande schulden, voorshands kan worden aangenomen dat ook het op 4 januari 2000 door de vader aan de vrouw geschonken bedrag op de peildatum reeds was opgemaakt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Ook deze klacht faalt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 6 december 2005;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2007.